vrijdag 29 mei 2009

Mei

Mei
mijn maand

je strooit
de witte

bloesemsneeuw
in mijn hals
Hij brandt

Uit: Rose Ausländer, Und nenne dich Glück. Gedichte 1982-1985, Fischer, Frankfurt a.M., 1994 (eigen vertaling)

woensdag 20 mei 2009

Herinneringen aan Paul Neefs (1933-2009)




1. Midden jaren tachtig. In de designmeubelzaak in de Korte Begijnenstraat in Turnhout kwam een grote man op me af, van wie ik onmiddellijk dacht: ‘Dit is geen meubelverkoper.’ Ik zocht eigenlijk een keukentafel, en die had hij niet. Maar misschien kon een andere tafel daar wel voor dienen. Die was ontworpen door Alvar Aalto, een naam die mij – een leek in de architectuur – niets zei. Dat Aalto ze voor een sanatorium had ontworpen, met bijpassende natuurhouten stoelen. Dat hijzelf tot voor kort als architect had gewerkt, maar last van zijn hart had gekregen en was opgehouden. In de drie kwartier dat ik daar in de winkel moet zijn gebleven, praatten we verder vooral over kunst, kunst in de ruimte. We bleken allebei enthousiast over de Prounruimte van El Lissitzky, die schijnbaar doelloze maar prachtige houten constructies in een daarvoor ontworpen kamertje, te zien in het Van Abbemuseum in Eindhoven. ‘Mooi hè’, zei hij, met weinig woorden maar met zulk aplomb dat je voelde: hier is hij vol van.

2. Op bezoek in zijn huis in Oosthoven, gebouwd in 1963 en intussen in talrijke architectuurboeken als een van zijn meesterwerken afgebeeld. Een vrij smalle, half met brikaljon verharde bochtige weg voerde van Schuurhoven naar de woning, midden in het groen. Een zeshoek als basis, daarboven een veelhoek met afwisselend blinde muren en even grote raampartijen. Binnen liet hij je zo zitten dat je naar buiten kon kijken – alsof het zijn architectuur daarom te doen was. En af en toe naar een schaduw die, fascinerend, door de grote ramen naar binnen viel en een nieuwe vorm in de lichte woning projecteerde. De muren waren wit, alle voorwerpen, boeken, tv, geluidsinstallatie en wat nog meer achter grote witte schuifdeuren verstopt. Om je door niets van het wezenlijke te laten afleiden.

3. De kunst waar hij zich het meest door geïnspireerd en opgetild voelde, was de muziek. Bach. Händel. Of ik Kathleen Ferrier kende. Nee, moest ik toegeven. Hij vertelde over haar tragische leven, hoeveel tegenslag ze had gehad en hoe haar stem dat allemaal superieur had overwonnen. Hij opende traag een schuifdeur, zocht met zijn grote handen wat onhandig tot hij de plaat had gevonden die hij me wilde laten horen. Kathleen Ferrier zong de aria 'Father of Heaven' uit Händels Judas Maccabeus. We luisterden, keken elkaar op het einde aan, en verstomden. Een epifanie. De biografie van Ferrier moest ik absoluut lezen (ik die nooit biografieën las) en ook een boek met de Prairie Houses van Frank Lloyd Wright gaf hij me mee. Inwijding in dingen die ertoe deden.

4. In de galerie van Jeanne Buytaert op de Van Rijswijcklaan in Antwerpen stelde hij zijn houten reliëfs tentoon, die hij na zijn architectenloopbaan was beginnen maken. Tarri en ik waren er meteen weg van. Minimalisme, zo krachtig en inventief dat het zijn mathematische oorsprong en de poverheid van het materiaal, MDF-hout, ruimschoots liet vergeten. “Ik heb een goede schrijnwerker”, zei hij telkens weer, tevreden dat die man zijn schetsen op ruitjespapier perfect kon uitvoeren. Toen we ons houtreliëf hadden opgehangen, kwam hij langs om het te bekijken. Het hing een paar millimeter te schuin, te vooroverhellend naar zijn zin. Het moest perfect parallel met de wand hangen. Hij zorgde ervoor.

5. Midden jaren negentig vroeg ik hem om een bijdrage voor het jubileumboek ter gelegenheid van 150 jaar Sint-Jozefcollege Turnhout, waar hij niet alleen de schoolbanken had versleten maar ook een eerste ervaring had opgedaan wat architectuur kon zijn. Hij bewonderde het gebouw uit de jaren dertig nog steeds, om de strenge volumes, het uitgekiende grondplan, de echte materialen en vooral het licht dat door de grote ramen van gangen en klaslokalen binnen stroomde. ‘De architectuur van het college of de kracht van de eenvoud’ stond als titel boven zijn bijdrage. Ze besloot met de zinnen “Het gebouw was er en was er niet. Is er een mooier compliment voor een architect in deze oppervlakkige en pronkerige tijd?”

6. Eens in een zomer was hij vol van de graancirkels die her en der in Europa waren verschenen. Zijn vrouw Thérèse en ook ik reageerden eerder sceptisch. Maar hij bleef voet bij stuk houden dat ze niet door mensenhand waren gemaakt. Ze leken voor hem een bewijs dat zijn zoeken naar de perfecte vorm, naar de originele en gedurfde geometrie geen eenmansbevlieging van hem was geweest, maar diepe wortels had in iets wat menselijke berekening oversteeg.

7. Enkele jaren geleden, hij had daarvoor weer een tijd in het ziekenhuis gelegen, spraken we af dat ik nog ’s moest afkomen. Maar dan bleek dat het toch niet gelegen kwam. Hij bereidde een nieuwe tentoonstelling voor, het huis lag overhoop. Een andere keer zou beter passen, dan zouden we in de tuin kunnen zitten. Ik had er veel voor gegeven zijn nieuwe beeldende werk te mogen zien. Wat later belde hij, of ik nog even geduld kon hebben. Toen hoorde ik een hele tijd niets meer. Achteraf bleek dat het werk in Halle-Zoersel was tentoongesteld. Een uitnodiging was niet gekomen, een vergetelheid. ‘Ge moogt het niet kwalijk nemen” zei hij bij een telefoontje nadien. We spraken vaag af voor een volgend bezoek. Ik had het druk. Ik nam hem niets kwalijk, maar vermoedde dat bezoek ontvangen meer van hem vergde dan hij wou laten uitschijnen. Ik heb het – twintig jaar jonger en niet minder schroomvallig dan hij – niet meer gewaagd hem op te bellen en mezelf uit te nodigen.

8. Gisteren vernam ik dat hij twee weken geleden is gestorven en vorige zaterdag is begraven. Na een lange lijdensweg, met Thérèse als trouwe gezel. De spijt dat ik hem de laatste jaren niet meer heb gezien weegt niet op tegen de dankbaarheid dat ik hem een aantal keren intens heb mogen ontmoeten. Ik heb opnieuw naar Kathleen Ferrier geluisterd.

Father of Heav'n! From Thy eternal throne,
Look with an eye of blessing down,
While we prepare with holy rites,
To solemnize the feasts of lights.
And thus our grateful hearts employ;
And in Thy praise
This altar raise,
With carols of triumphant joy.
Father of Heav'n . . . (
da capo)

Daar ga het je goed, Paul – verlost van het kleine aardse waar je te groot voor was.

zaterdag 16 mei 2009

Correctie

Het andere is het zelfde want wat jij zegt heb ik al lang gezegd lang geleden is het dat jij het andere zei dat wat het andere was en niet het zelfde en lang geleden is het dat ik niet jij was maar het is niet zo lang geleden dat jij het zelfde werd dat wat ik altijd het andere noem sindsdien ben jij dat het andere dat wat niet het zelfde is


Uit: Diter Rot, Mundunculum, DuMont, Köln, 1967 (eigen vertaling)

zaterdag 9 mei 2009

zondag 3 mei 2009

Soortgenoten

In de dierentuin komt de vraag, zeker in de apen- afdeling, wel 's vaker op: wie bekijkt wie – tussen de tralies, achter het schrikdraad? Bertolt Brecht sprak van 'Kinder und andere kleine Tiere'. Deze Chinese jongen lijkt met zijn zwart-witgestreepte sweater wel een hommage aan Darwin. Hij fotografeert een soortgenoot. En daar is reden toe. Een zebra heeft ooit model gestaan voor zijn truitje. Nu staan model en kopie weer oog in oog. Of liever: oog in cameraoog. Want de jongen weet al dat zo'n gestreept dier fotogeniek is. Wij zien het tafereel door het oog van fotograaf Jimmy Kets (*1979), van wie in de galerie van het Antwerpse FotoMuseum een tentoonstelling loopt. Grappige en confronterende foto's maakt hij, over de mens en zijn lotgenoten, over de schijnwereld waar dat wezen behoefte aan blijkt te hebben: het simulacrum van Disneyland en andere pretparken, het strand in Benidorm, de in banaliteit gedrenkte hunkering op party's, eroticabeurzen en in Las Vegas. 'Ecce homo', zie de mens, lijken ze te zeggen. "Loop zachtjes om hem heen en / ga elders om hem wenen, /maar laat hem staan." (Leo Vroman, 'Mens')