De regen viel vanmorgen met bakken uit de hemel. Druipend stapte ik het postkantoor binnen om een pakje te versturen. Een vrouw stond tegen de loketbediende te vertellen hoe erg het was geweest. Ik hoorde:'Devestenaondeprioraaistondegelááik'. Het duurde een seconde voor ik haar begreep: het water in de vestinggrachten rond de priorij Corsendonk stond op gelijke hoogte met de weg. Dat was op zich al spectaculair, maar nog treffender vond ik hoe ze het zei. Met dat oude woord 'vesten', dat de meesten ten hoogste nog kennen van de gedempte stadsgrachten waarnaar sommige straten in onze steden zijn genoemd. Daar was het water ooit bedwongen. In deze zin waste het weer ongeremd. En dan die ellips – waarmee het water gelijk stond, kon je je wel verbeelden, het was al erg genoeg om het ook nog te zeggen. En ten slotte de combinatie van de in mijn oren bijna middeleeuws klinkende vesten met de eeuwenoude priorij. Even leek het alsof de teletijdmachine me terugslingerde naar de 14e eeuw. Toen ik mijn zending met Proton wilde betalen, bleek het toestelletje mijn kaart niet te lezen. Ik heb dan maar muntstukken te voorschijn gehaald, als in vroegere tijden. Achteraf bekeken niet meer dan logisch.




'zoals in china', dacht goldenberg en hij zei het ook, hoewel hij nooit in dat land was geweest. is het een land, dacht goldenberg later, of een stemming. het wordt een land, als ik ernaartoe reis. van te voren is het een stemming die ik china mag noemen tot ik er naartoe reis en ze een andere naam moet geven. maar toen zei hij het en de anderen keken naar het spiegelende wateroppervlak, de takken, het maanloze nachtgordijn, en de sterren vielen achter de aarde in het wereldruim.





