
Of we erbij wilden blijven? T. ging in de wachtkamer zitten. Ik bleef haar nog even vasthouden. Het middel heette T 61. Enkele seconden na het toedienen een kreet als van een lynx, een hevige maar korte opflakkering van levensdrift. Vergeefs. Rust komt over haar. Ze ligt op haar zij, het lijkt alsof ze slaapt. Een slaap waaruit ze niet meer zal ontwaken.
De anders zo levenslustige dierenarts praat nu stil. Dit staat lijnrecht tegenover haar normale taak. Zestien jaar heeft Minoes bij ons gewoond, een levend wezen tussen andere levende wezens, in vele opzichten ánders. Maar naarmate je haar meer observeerde een steeds herkenbaarder medeschepsel, bondgenoot van al wat leeft op aarde.
Een gevangen muis aan de deur leggen als bijdrage in de huishoudkosten, verbaasd dat we haar trofee meteen begroeven. 's Ochtends op de overloop wachten tot iedereen beneden is. Met ouder te worden, steeds vaker gestreeld willen worden – toen ze ziek was zelfs tevredener zijn met een flinke knuffelbeurt dan met eten. Een paar keer een opflakkering: de tweelettergrepige kattenvariant van het woord 'honger' zeggen op vaste tijdstippen, om geen maaltijd over te slaan. Zich terugtrekken als er iets te veel stemverheffing in huis was, uit plaatsvervangende schaamte. Tijdens het tv-kijken mee komen liggen 'kijken', al bleven de stompzinnige beelden die mensen voor elkaar produceren, haar gelukkig bespaard.
Toen het voorbij was, draaide de wereld gewoon door. 'Net Bruegels Val van Icarus', zei T. toen we weer in het dorp kwamen. Er schoten flarden poëzie door mijn hoofd. Elsschot: 'De aarde is niet uit haar baan getreden / toen uw hartje stil bleef staan ...' . Wat zou het ook? Er is veel ergers. Dagelijks sterven duizenden kinderen, veel te jonge en oude mensen. Maar het broze geheim van vriendschap, aanhankelijkheid, leven en dood delen 'all creatures great and small'. Nergens is het mooier uitgedrukt dan in de ontwapenende elegie die Jan Hanlo schreef over zijn
Hond met bijnaam Knak
God, zegen Knak
Hij is nu dood
Zijn tong, verhemelte,
was rood
Toen was het wit
Toen was hij dood
God, zegen Knak
Hij was een hond
Zijn naam was Knak
Maar in zijn hondenlichaam stak
Een beste ziel
Een verre tak
Een oud verbond
God, zegen Knak
Minoes was van 1992 tot 2008 vreugde en rustpunt bij ons thuis. Het levende bewijs dat een eigenzinnig, stil leven – dat niets hoeft te bewijzen en niets hoeft te presteren – misschien wel de hemel op aarde is.