vrijdag 1 augustus 2008

Magritte in Tervuren



Of: hoe de werkelijkheid een schilderij kopieert.

donderdag 31 juli 2008

Incasseren

Zoonlief heeft een bokszak gekocht: ‘Om mijn agressie op af te reageren.’ Zijn de klanten in de supermarkt waar hij tijdens de vakantie werkt dan zo vervelend? ‘De meesten zeggen geen goeiedag. Ze kijken je niet eens aan. Of uit de hoogte. Ze gooien hun geld op de band. En wanneer je hun het wisselgeld wilt geven, dan tikken ze op het muntschaaltje – opdat je hen in hemelsnaam niet aan zou raken.’ ‘Met je kortgeschoren schedel en donkere teint denken ze misschien dat je een vreemdeling bent.’ ‘Zou best kunnen.’

Eendenkroos

woensdag 30 juli 2008

Gissing



– Wat doet dit teken hier op het asfalt? (Ze draaien hun hoofd.)
– Een lepel? Een in elkaar gelopen uitroepteken? Een mannetje? Een zaadcel? De kwikzuil van een thermometer?
– Een kegel? Een erg mannelijk iets? Een primitieve bloem? Een sleutel zonder baard?
– Eindeloos ... Maar als het op het asfalt met witte verf geschilderd is, dan zal het wel een wegmarkering zijn. Een soort wegwijzer. Ik vermoed dat het betekent: ‘bij het volgende kruispunt naar rechts’.
– Waarom staat er dan geen pijl?
– Omdat de wandelaars of de wielertoeristen niet meteen naar rechts kunnen, maar pas 150 meter verder.
– Wat toont de andere afbeelding? Een hersenscan?
– Een kiekje van een gedachte. Vroeger dacht men dat een gedachte op een bepaalde plek in de hersenen te lokaliseren was.
– En nu?
– Nu weet men dat er verschillende gebieden in de hersenen tegelijk actief zijn: een gebied voor zintuiglijke indrukken, een voor ervaringen, een om je indruk onder woorden te brengen, een om de situatie te beoordelen ... Een hele reeks elektrische signalen verbreidt zich in ons hoofd. Maar hoe uit al die prikkels één samenhangende gedachte ontstaat, is nog een raadsel.
– Toch ziet zo’n hersenscan er vrij simpel uit.
– Tja, pas op: in feite hebben we ongeveer 1014 verbindingen tussen zenuwcellen in onze hersenen, een 1 met 14 nullen erachter.
– Wat lijkt de werkelijkheid dan eenvoudig!
– Dat denk je maar.

dinsdag 29 juli 2008

maandag 28 juli 2008

Bloemlezen

Het mooiste gedicht over een vis, meende Paul van Ostaijen, is het woord ‘vis’. Zijn gedichten zijn langer dan één woord, maar in De Feesten van Angst en Pijn maakt een bijzondere, naar adem happende vis deel uit van ‘Vers 4’.

De Schotse dichter Ian Hamilton Finlay hield zich aanvankelijk bezig met concrete poëzie, die stilaan meer visuele elementen bevatte. Woorden en beelden gingen een intieme verhouding aan. Uiteindelijk werd Finlay de dichter van zijn eigen (beelden)tuin, die hij Little Sparta noemde.

Dit 1-woord-kunstwerk van Finlay zag ik, net als dat van Carl Andre, in Kröller-Müller. Windflower is een andere naam voor de kortbloeiende anemoon, die volgens Ovidius uit het bloed van de beeldschone jongeling Adonis ontsproot nadat hij door een ever was gedood.

(...) Nog geen uur daarna / is uit dat bloed een nieuwe bloem ontloken, rood als appels / van een granaatboom, die hun pitten in een taaie schil / verborgen houden. Maar die nieuwe bloem biedt korte vreugde, / omdat zij, broos van bouw en kwetsbaar door haar licht gewicht, / geknakt wordt door de wind, waaraan zij ook haar naam dankt: windroos. (vert. M. d'Hane-Scheltema)

Er ontstaat spanning tussen het gebruik van blauw neonlicht – neonbuizen lijken altijd ook met gevaar verbonden – en de poëtische benaming en schrijfwijze van de bloem. 'Bloedmooi.'

zondag 27 juli 2008

Paar



Carl Andre is een minimalistische kunstenaar, bekend om zijn reeksen stalen platen op de grond. Of je eroverheen mag lopen, is een twistvraag voor veel museumdirecteuren en suppoosten. Van de kunstenaar mag het.

In het Kröller-Müller Museum staan, in tegenover elkaar gelegen kamers aan het uiteinde van het Henry Van de Veldegebouw, twee houten constructies van hem. Massieve kubussen, gemaakt van zeven kruiselings over elkaar gelegde zware balken. Elke balk is 30 cm hoog, 30 cm breed en 90 cm lang. De kubus heeft een rib van 90 cm. De warme kleur van het hout betovert, de volmaakte geometrische vorm, de ingenieuze afwisseling van gesloten en open gedeelten, van staande en liggende balken.

Meestal verwacht je bij een dergelijk abstract werk gewoon een bordje ‘Zonder titel’. Ik had zelfs niet eens naar het bordje gekeken, tot ik in het andere vertrek kwam en daar toevallig ‘Baucis’ las. Teruggekeerd naar het eerste, natuurlijk: ‘Philemon’. Het mythische paar uit Frygië dat voor zijn gastvrijheid tegenover de goden beloond werd en onafscheidelijk bij elkaar mocht blijven, veranderd in een eik en een linde. Ovidius heeft hen vereeuwigd in zijn Metamorphosen.

(...) Op een dag, toen zij, zeer oud, / voor die gewijde trappen stonden en nog altijd spraken / over dat wonder daar, zag Baucis bij Philemon plots / en hij, Philemon, zag bij Baucis groene blaadjes groeien, / en snel ook stak een boomtop boven die twee hoofden uit / en hadden zij nog net de tijd elkaar vaarwel te zeggen / en bij de naam te noemen: tegelijk verdween hun mond / in takkengroen... Nog altijd wijzen Phrygische bewoners / die bomen aan, twee naast elkaar, uit mensenvorm ontstaan. (vert. M. d'Hane-Scheltema)

In de verbinding van oud en nieuw, klassieke mythologie en minimalisme uit de jaren tachtig wordt dit werk van Carl Andre nog bekoorlijker. De kruiselingse stapeling is niet alleen een esthetisch principe. De abstracte constructies zijn figuratiever dan gedacht. Philemon en Baucis zijn van gedaante veranderd. En zichzelf gebleven.

zaterdag 26 juli 2008

Haiku



De gevelde boom
kweekt mos en een humuslaag
voor het jonge groen.

vrijdag 25 juli 2008

Verf al, verval




Mijn oom L. hield het wat schoonheid betreft op de definitie van Thomas van Aquino: ‘Pulchrum est quod visu placet’ – schoon is wat het oog bevalt. De vraag is alleen wat het oog wil zien, met welke oogmerken het kijkt. Waarneming, houden de neurowetenschappers ons voor, is meer een kwestie van onze hersenen dan van onze ogen. Onze behoeften bepalen wat we waarnemen en hoe. Onze brievenbus begon lelijk te worden: de verf bladderde af, dat was geen gezicht meer. Tijd dus om ze twee lagen hoogglans lak te geven, na een grofkorrelige respectievelijk fijne schuurbeurt. Nu staat ze te drogen en te glanzen. Ze mag weer gezien worden, ze is weer mooi.

In de Korte Begijnenstraat viel mijn oog op een afgebladderd raamkozijn van een oud huis. Misschien vond de eigenaar het niet meer de moeite waard om het op te knappen. Misschien zou het toch worden gesloopt om plaats te ruimen voor iets nieuws en moois. Ik keek niet met de ogen van de eigenaar, de koper, een aannemer of een mogelijke huurder. Die hadden zich behoorlijk kunnen ergeren aan de vervallen staat. Of er zich juist om verheugen dat hier werk aan de winkel was, reden te over om het op te knappen of af te breken.

Praktische overwegingen speelden voor mij geen rol. Ik was gefascineerd door het alomtegenwoordige craquelé. Door de verbrokkeling van wat eens stevig hout moet zijn geweest. Door de sierlijke boog waarmee een stuk linoleum was losgekomen. Door de kleurnuances van het blauwgrijs, de contrasterende vlekken geel en wit. Ik vond het in één woord ‘mooi’.

Wat fascineert mensen aan de schoonheid van verval? De hak die het utilitaire denken wordt gezet, de uitschakeling van het nodig moeten ingrijpen, de vakantie voor het activisme? Of raakt het een snaar die we in het leven zo weinig mogelijk bespelen? De gedachte aan wat levende wezens (en, zo te zien, zelfs een houten raamkozijn) onvermijdelijk te wachten staat: oud worden, aftakelen, vergaan. Waarschijnlijk heb ik daarom een foto gemaakt van dat afgebladderde raamkozijn. Omdat schoonheid de enige mogelijkheid is om het onvermijdelijke op een veilige, zelfs aangename manier onder ogen te zien.

donderdag 24 juli 2008

Doorkijkjes



Kröller-Müller Museum, Hoge Veluwe