
Al enkele jaren merk ik hoe moeilijk het is bij mijn leerlingen met het verschil tussen hoge en lage cultuur aan te komen. Cultuur is één pot nat voor hen. Ook het begrip ‘gesunkenes Kulturgut’ begrijpen ze nauwelijks. Ze zien cultuur meer als iets horizontaals dan als iets verticaals.
Over ‘gesunkenes Kulturgut’ heb ik het wel ’s wanneer ik vertel over wat er met de concrete en visuele poëzie na de jaren ’70 is gebeurd. Als literatuur of kunst, een vroege vorm van intermediale kunst, hadden ze uitgespeeld. De procedés werden her en der overgenomen door de reclame. Wanneer ik sommige videoclips zie, moet ik denken aan verwaterd dadaïsme en surrealisme. Is dat een elitaire reflex?
Dat reclame niet altijd het afdragertje van de kunst is geweest, zag ik vorige week bij een bezoek aan het Graphic Design Museum in Breda. Daar loopt een boeiende tentoonstelling over de Duitse typograaf en grafisch vormgever Jan Tschichold. Hij ontwierp in de jaren twintig van de vorige eeuw onder meer filmaffiches voor de Münchense bioscoop Phoebus Palast, die in hun inventiviteit de meeste huidige bioscoopposters beschamen. Op de vaste tentoonstelling over de ontwikkeling van de Nederlandse typografie en grafische vormgeving ligt uiteraard werk van Piet Zwart. Eén van zijn modernistische reclameontwerpen voor de Nederlandsche Kabelfabriek uit 1923 zette mijn opvatting over de relatie tussen avant-gardekunst en ‘volgzame’ toegepaste kunst op losse schroeven. Natuurlijk was het klimaat gunstig. Zwart kende de experimenten van Van Doesburg en De Stijl. Hij kende Schwitters, het Bauhaus en El Lissitzky.
Er zit iets moois in de wijze waarop Zwart met de hoofdletter van ‘hoog’ omspringt. Hij versmalt de afstand tussen de twee verticale lijnen, ook het dwarsstreepje wordt korter, zoals de sport bij een lange ladder. Van Ostaijen liet het héle woord in
Bezette stad (1921) als ideogram zetten: HOOG staat hoog op de bladzijde en is in hoge letters gezet. Toch vind ik Zwarts oplossing nog sterker want minder nadrukkelijk. Omdat elk woord slechts iets betekent door te verschillen van andere woorden – Saussures beroemde ‘Dans la langue il n’y a que des différences’ – is de klemtoon op de meest karakteristieke beginletter verantwoord. Vooral omdat het foneem /h/ in oppositie wordt gezet tegenover /l/, het beginfoneem van het woord ‘laag’. Hier is de ingreep het duidelijkst. Als in sommige handschriften steekt de verticale haal van de /l/ niet echt naar boven. Integendeel, hij past zich aan en gaat liggen zoals wat volgt.
De arbitraire woord- en lettervorm (louter symbool) wordt hier gemotiveerd (dus icoon). Een kwestie van semantiek. Antoniemen. Dat zul je niet alleen geweten maar ook gezien hebben. Overigens speelde ook Van Ostaijen graag met de tegenstelling tussen hoog en laag. Het geslaagdst in de schijnbaar traditionele verzen “langs het hoogriet, langs de laagwei” uit ‘Melopee’. Mooier en klankrijker dan daar vind ik het contrast tussen die twee uitersten in zijn werk niet uitgedrukt.
De vraag ‘Wie was het eerst?’ heeft weinig belang. Het hing waarschijnlijk in de lucht. Net zoals het nu heel gewoon is dat kinderen concrete en visuele poëzie in de lagere school maken. En dat in de cultuurbijlagen literatuur (of wat daarvoor moet doorgaan), pop, klassieke muziek, dvd’s, design, reis- en kookboeken, games en theater broederlijk naast elkaar staan. Niet meer op eenzame hoogte, maar – ja, waar? – op de collectief leuke laagvlakte, net onder het maaiveld. Zo rollen er geen koppen. Als de lees- en kijkcijfers maar de hoogte ingaan.