"Magritte", kopte de krant gisteren, "herovert de harten met nieuw museum". Hé, als er nu iets is wat ik nooit met Magritte heb geassocieerd, is het dat zijn werk hartveroverend is. Dat emotionele, daar zijn andere kunstenaars voor.Wat me altijd aan hem heeft geïntrigeerd is dat hij de idee van de stamvader van de moderne kunst, Marcel Duchamp – dat het tijd werd de 'retinale' (oogstrelende) kunst te vervangen door een 'mentale' (gedachten prikkelende) – op paradoxale wijze in praktijk heeft gebracht. Hij schilderde op een banale manier, figuratief in het kwadraat, als plakplaatjes uit de reclame waar hij zo goed in thuis was. Tegelijk geven zijn qua stijl 'realistische' schilderijen de doodsteek aan de pretentie van elk realisme: in een beeld de werkelijkheid te kunnen vatten.
Meer dan dertig jaar geleden (ik studeerde literatuurwetenschap aan de TU Berlin) hield Dieter Honisch voor studenten van de Hochschule der Künste in Berlijn een seminarie over 'realisme in de kunst van de 19e en 20e eeuw' in de Nationalgalerie. Ik had het bericht toevallig op het prikbord gelezen en me bij de eerste sessie tussen het dozijn kunststudenten gemengd dat bij de dienstingang van het museum was opgedaagd. Het stramien was eenvoudig: elke keer stond in het kantoor van de directeur een ander schilderij op een ezel. Een deelnemer hield er een korte inleiding over en er volgde een levendige discussie. Om als infiltrant niet door de mand en als niet-kunststudent niet helemaal uit de toon te vallen, koos ik toen de spreekbeurtjes werden verdeeld voor wat het dichtst bij huis lag: Magritte. Het schilderij was L'Idée fixe uit 1928. Dit heb ik er toen over gezegd:
Wanneer in de Europese schilderkunst het schilderij een venster is, dan krijgt de toeschouwer hier waar voor zijn geld. De lijst bevat niet één, maar meteen vier beelden, die door zwarte strepen – als de houten latten van een raam – zijn gescheiden. Ze tonen vier fragmenten uit de werkelijkheid:
1. groene loofbomen in een bos;
2. een bewolkte blauwe lucht;
3. de voorgevel van een huis (twee rijen ramen met gesloten gordijnen);
4. een jager met een geweer tegen een grijze achtergrond.
Het eerste en het vierde presenteren een in de schilderkunstige traditie gangbare, illusionistische inhoud. Ze behoren tot de genres landschap en portret. Het tweede en derde beeld zijn minder courant. Bij de weergave van de lucht ontbreekt het onderliggende landschap of op zijn minst een vliegende patrijs of fazant. De façade wordt slechts gedeeltelijk getoond en zonder bekoorlijk perspectief.
De afzonderlijke beelden leveren weinig op. Bovendien zijn ze weinig ‘esthetisch’ geschilderd: naïef en onpersoonlijk als in een ouderwets prentenboek, met voor de hand liggende kleuren, zonder gedetailleerde achtergrond of subtiele dieptewerking. Misschien brengen we ze beter met elkaar in verband, zodat er een beeldverhaal ontstaat.
Je kunt het vierde beeld interpreteren als een reactie op de drie voorgaande. De beelden 1 t/m 3 zijn beelden die de jager ziet. Niet voor niets wordt hij op het vierde met speurende ogen voorgesteld. In de causaliteit die een verhaal verlangt, zijn het prikkels om te jagen. Jacht maken kun je immers op objecten in het bos (dieren), in de lucht (vogels) en achter gordijnen (mensen).
Het vreemde is dat op geen van de drie beelden ook maar een glimp van die objecten te zien is. Wat meer is: bij elk beeld voel je dat er iets ontbreekt. Het schilderij toont dat de jager (die, omdat hij de enige mens op het schilderij is, wel een symbool kan zijn voor méér mensen, voor een menselijke gedragswijze) op niets jaagt. Geen enkel element op de eerste drie beelden verantwoordt het gedrag op het vierde.
De jager valt ten prooi aan een inbeelding: hij heeft iets gezien, terwijl wij niets zien. Hij heeft een waanvoorstelling of – zoals de titel van het schilderij luidt – een idee-fixe. Maar wat als de jager het bij het rechte eind had? Als hij in de wereld van het schilderij, die zo sterk op onze wereld lijkt, iets gezien heeft wat voor ons verborgen blijft omdat wij geloof hechten aan het oppervlak van het beeld en alleen dat oppervlak willen geloven? Wiens dwangvoorstelling heeft Magritte weergegeven? En welk idee-fixe heeft hij geschilderd? Dat je achter alles iets moet zoeken?
2. een bewolkte blauwe lucht;
3. de voorgevel van een huis (twee rijen ramen met gesloten gordijnen);
4. een jager met een geweer tegen een grijze achtergrond.
Het eerste en het vierde presenteren een in de schilderkunstige traditie gangbare, illusionistische inhoud. Ze behoren tot de genres landschap en portret. Het tweede en derde beeld zijn minder courant. Bij de weergave van de lucht ontbreekt het onderliggende landschap of op zijn minst een vliegende patrijs of fazant. De façade wordt slechts gedeeltelijk getoond en zonder bekoorlijk perspectief.
De afzonderlijke beelden leveren weinig op. Bovendien zijn ze weinig ‘esthetisch’ geschilderd: naïef en onpersoonlijk als in een ouderwets prentenboek, met voor de hand liggende kleuren, zonder gedetailleerde achtergrond of subtiele dieptewerking. Misschien brengen we ze beter met elkaar in verband, zodat er een beeldverhaal ontstaat.
Je kunt het vierde beeld interpreteren als een reactie op de drie voorgaande. De beelden 1 t/m 3 zijn beelden die de jager ziet. Niet voor niets wordt hij op het vierde met speurende ogen voorgesteld. In de causaliteit die een verhaal verlangt, zijn het prikkels om te jagen. Jacht maken kun je immers op objecten in het bos (dieren), in de lucht (vogels) en achter gordijnen (mensen).
Het vreemde is dat op geen van de drie beelden ook maar een glimp van die objecten te zien is. Wat meer is: bij elk beeld voel je dat er iets ontbreekt. Het schilderij toont dat de jager (die, omdat hij de enige mens op het schilderij is, wel een symbool kan zijn voor méér mensen, voor een menselijke gedragswijze) op niets jaagt. Geen enkel element op de eerste drie beelden verantwoordt het gedrag op het vierde.
De jager valt ten prooi aan een inbeelding: hij heeft iets gezien, terwijl wij niets zien. Hij heeft een waanvoorstelling of – zoals de titel van het schilderij luidt – een idee-fixe. Maar wat als de jager het bij het rechte eind had? Als hij in de wereld van het schilderij, die zo sterk op onze wereld lijkt, iets gezien heeft wat voor ons verborgen blijft omdat wij geloof hechten aan het oppervlak van het beeld en alleen dat oppervlak willen geloven? Wiens dwangvoorstelling heeft Magritte weergegeven? En welk idee-fixe heeft hij geschilderd? Dat je achter alles iets moet zoeken?

















