
Een oud idee: een geschiedenis van de literatuur schrijven vanuit het gebruik van leestekens. Ik moet er de laatste dagen weer aan denken door die opvallende (en deze keer geslaagde) affiches langs de snelwegen. Er zijn er drie, analoog van zinsbouw. Naast het bovenstaande is er nog “Bilal liep de baan op om zijn bal te pak…” en “Kevins hondje rende de weg op en hij liep er ach..."
Natuurlijk gaat het om een campagne die de verkeersveiligheid moet bevorderen. Bilal, Kevin en Lotte staan voor de kwetsbare weggebruikers: kinderen die nu eenmaal onberekenbaar zijn, zeker als ze een dringend doel voor ogen hebben. Er sterven ieder jaar in de EU 40 000 mensen in het verkeer. Hoeveel ervan kinderen zijn, preciseren de statistieken niet.
De campagne roept bestuurders op zich aan de snelheidsbeperking van 50 km/uur in de bebouwde kom te houden. In de praktijk doet maar een derde dat. Bij mijn weten zie je de affiches vooral langs snel- en provinciewegen, waar je harder mag rijden en er (hopelijk) geen kinderen oversteken. Een fout in de pragmatiek: het niet aanspreken van de juiste doelgroep of op het verkeerde moment? Misschien toch niet: op de snelweg kan het weinig kwaad het affiche te lezen en heb je tijd om erover na te denken. In de bebouwde kom zou het je alleen kunnen afleiden terwijl Bilal of Kevin of Lotte …
Het is een kwestie van leven of dood. Iets waar tot automobilisten getransformeerde mensen nauwelijks rekening mee houden. In het pantser van je auto word je vanzelf groter en sterker, en voor je het weet een dood zaaiend monster. Sommige aanhangers van de spreuk 'Mijn auto, da’s mijn vrijheid' begrijpen ook niet waarom zij snelheid zouden moeten minderen als ze in hun dierbare auto zitten waarvan de snelheidsmeter (ik verwijs nu nog maar naar mijn doorsnee gezinswagen) tot 220 per uur op kan klimmen.
'50 km/u. U weet wel waarom', zegt de campagne. Na het lezen van die zinnen zou dat moeten. En als Socrates gelijk heeft, die meende dat wie het goede weet ook het goede doet, moet deze campagne effect sorteren. Daar is de boodschap voor bedoeld.
Waar ik ook aan zat te denken toen ik deze zinnen las, is dat ze een voorbeeld van ‘geëngageerde literatuur’ zijn. Het begrip is – sinds Sartre en de jaren ’60 tot een ver verleden behoren – flink gedateerd. Of beter: was, want de jongste tijd komt daar verandering in. Literatuur en kunst moéten haast weer geëngageerd zijn of ze deugen niet. ‘Maar déze slogans? Literatuur?’ zegt u. ‘Wat is daar nu literair aan?’ Iets wat in de hele discussie over engagement wel ’s wordt vergeten, namelijk dat literatuur in de eerste plaats bijzonder taalgebruik is. Dat gaf zelfs een in literair opzicht conservatieve marxist als Georg Lukács toe: “Das wahrhaft Soziale an der Kunst ist die Form.”
Zijn die slogans dan zo bijzonder? De zinsbouw lijkt zo uit de schoolgrammatica te komen, en staat dus dicht bij de taal die de kinderen spreken. De werkwoordsvorm is die van het meest elementaire verhaal: onvoltooid verleden tijd. Dat het onderwerp geen soortnaam is, maar een eigennaam, maakt er een echt verhaal van, met personages waarmee je je kunt identificeren. Lotte, Kevin, Bilal: het zouden je kinderen kunnen zijn. Mooi aan de zinnen is ook hun doelgerichtheid. Wanneer iemand onverwacht de straat oversteekt, weten we meestal niet waarom. Het lijkt zelfs een ergerlijke vorm van ‘onverantwoord gedrag’. (Bestuurders geven graag wat hun in de weg komt meteen 'de schuld', nog voor er iets gebeurd is.)
Hier dus een doel: een bal, een hondje, een bus. Maar vóór dat doel wordt gerealiseerd, wordt de zin afgebroken. In het persdossier over de campagne spreekt men van ‘onderbroken’, maar dat lijkt me een eufemisme. Ik lees de zinnen in elk geval zo dat ze slecht aflopen. (Daarom staan ze ook in de verleden tijd – het is voorbij.) De zin breekt af, midden in de handeling. Een leven breekt af, terwijl het subject ervan nog zoveel voorhad, als ik dat germanisme mag gebruiken. De lezers – autobestuurders en (helaas: dus) potentiële ‘moordenaars’ – voltooien de zin uiteraard. Op de drie puntjes passen telkens net drie letters. De woorden aanvullen is een koud kunstje. Dát ze worden afgebroken en alleen door de lezer/bestuurder kunnen worden voortgezet, confronteert die met zijn/haar verantwoordelijkheid. Een zin willen we ten einde lezen, een woord willen we voltooien.
Hoeveel belangrijker is het dan niet, geen vroegtijdig punt achter een leven te zetten? Tegenover het middeleeuwse 'Media vita in morte sumus' dat in het huidige verkeer een nieuwe betekenis heeft gekregen, staat dan het – nu letterlijk, preventief opgevatte – vers van Dylan Thomas (bij hem weliswaar ‘post mortem’): 'And death shall have no dominion'. Ten minste: zover het in onze handen ligt. En dat doet het meer dan we denken.
Natuurlijk gaat het om een campagne die de verkeersveiligheid moet bevorderen. Bilal, Kevin en Lotte staan voor de kwetsbare weggebruikers: kinderen die nu eenmaal onberekenbaar zijn, zeker als ze een dringend doel voor ogen hebben. Er sterven ieder jaar in de EU 40 000 mensen in het verkeer. Hoeveel ervan kinderen zijn, preciseren de statistieken niet.
De campagne roept bestuurders op zich aan de snelheidsbeperking van 50 km/uur in de bebouwde kom te houden. In de praktijk doet maar een derde dat. Bij mijn weten zie je de affiches vooral langs snel- en provinciewegen, waar je harder mag rijden en er (hopelijk) geen kinderen oversteken. Een fout in de pragmatiek: het niet aanspreken van de juiste doelgroep of op het verkeerde moment? Misschien toch niet: op de snelweg kan het weinig kwaad het affiche te lezen en heb je tijd om erover na te denken. In de bebouwde kom zou het je alleen kunnen afleiden terwijl Bilal of Kevin of Lotte …
Het is een kwestie van leven of dood. Iets waar tot automobilisten getransformeerde mensen nauwelijks rekening mee houden. In het pantser van je auto word je vanzelf groter en sterker, en voor je het weet een dood zaaiend monster. Sommige aanhangers van de spreuk 'Mijn auto, da’s mijn vrijheid' begrijpen ook niet waarom zij snelheid zouden moeten minderen als ze in hun dierbare auto zitten waarvan de snelheidsmeter (ik verwijs nu nog maar naar mijn doorsnee gezinswagen) tot 220 per uur op kan klimmen.
'50 km/u. U weet wel waarom', zegt de campagne. Na het lezen van die zinnen zou dat moeten. En als Socrates gelijk heeft, die meende dat wie het goede weet ook het goede doet, moet deze campagne effect sorteren. Daar is de boodschap voor bedoeld.
Waar ik ook aan zat te denken toen ik deze zinnen las, is dat ze een voorbeeld van ‘geëngageerde literatuur’ zijn. Het begrip is – sinds Sartre en de jaren ’60 tot een ver verleden behoren – flink gedateerd. Of beter: was, want de jongste tijd komt daar verandering in. Literatuur en kunst moéten haast weer geëngageerd zijn of ze deugen niet. ‘Maar déze slogans? Literatuur?’ zegt u. ‘Wat is daar nu literair aan?’ Iets wat in de hele discussie over engagement wel ’s wordt vergeten, namelijk dat literatuur in de eerste plaats bijzonder taalgebruik is. Dat gaf zelfs een in literair opzicht conservatieve marxist als Georg Lukács toe: “Das wahrhaft Soziale an der Kunst ist die Form.”
Zijn die slogans dan zo bijzonder? De zinsbouw lijkt zo uit de schoolgrammatica te komen, en staat dus dicht bij de taal die de kinderen spreken. De werkwoordsvorm is die van het meest elementaire verhaal: onvoltooid verleden tijd. Dat het onderwerp geen soortnaam is, maar een eigennaam, maakt er een echt verhaal van, met personages waarmee je je kunt identificeren. Lotte, Kevin, Bilal: het zouden je kinderen kunnen zijn. Mooi aan de zinnen is ook hun doelgerichtheid. Wanneer iemand onverwacht de straat oversteekt, weten we meestal niet waarom. Het lijkt zelfs een ergerlijke vorm van ‘onverantwoord gedrag’. (Bestuurders geven graag wat hun in de weg komt meteen 'de schuld', nog voor er iets gebeurd is.)
Hier dus een doel: een bal, een hondje, een bus. Maar vóór dat doel wordt gerealiseerd, wordt de zin afgebroken. In het persdossier over de campagne spreekt men van ‘onderbroken’, maar dat lijkt me een eufemisme. Ik lees de zinnen in elk geval zo dat ze slecht aflopen. (Daarom staan ze ook in de verleden tijd – het is voorbij.) De zin breekt af, midden in de handeling. Een leven breekt af, terwijl het subject ervan nog zoveel voorhad, als ik dat germanisme mag gebruiken. De lezers – autobestuurders en (helaas: dus) potentiële ‘moordenaars’ – voltooien de zin uiteraard. Op de drie puntjes passen telkens net drie letters. De woorden aanvullen is een koud kunstje. Dát ze worden afgebroken en alleen door de lezer/bestuurder kunnen worden voortgezet, confronteert die met zijn/haar verantwoordelijkheid. Een zin willen we ten einde lezen, een woord willen we voltooien.
Hoeveel belangrijker is het dan niet, geen vroegtijdig punt achter een leven te zetten? Tegenover het middeleeuwse 'Media vita in morte sumus' dat in het huidige verkeer een nieuwe betekenis heeft gekregen, staat dan het – nu letterlijk, preventief opgevatte – vers van Dylan Thomas (bij hem weliswaar ‘post mortem’): 'And death shall have no dominion'. Ten minste: zover het in onze handen ligt. En dat doet het meer dan we denken.














