
Sinds in een door een BV gepresenteerde showquiz een door een BV bedachte beeldvraag werd gesteld over welke BV in haar blootje op een foto in een gedichtenbundel te zien is en het antwoord niet zomaar een BV bleek te zijn, maar een BV die niet zo lang geleden met een nog veel grotere BV in het huwelijksbootje was gestapt, ligt de eind 2007 bij een uitgeverij van onverdacht allooi verschenen bloemlezing – waarin de meeste bloot afgebeelde mensen overigens geen BV's zijn – plots weer op een prominente plaats in de Vlaamse boekhandel.
Het boek heeft gunstige reacties in de pers gekregen. Toen ik het twee jaar geleden ter recensie ontving, vond ik enige nuancering passen. Om een of andere reden heeft de bespreking het tijdschrift niet gehaald. Ze ging als volgt.
We hebben – nee, corrigeerde onze hoogleraar psychologie: we
zijn een lichaam. Een bron van genot, maar ook van ellende. In bepaalde gevallen voelen we het heel hevig, terwijl het er soms gewoon niet lijkt te zijn. Fotografe Elisabeth Broekaert en schrijver Bart Moeyaert maakten samen een boek waarin naaktfoto's worden afgewisseld met gedichten over lichamelijkheid, geboorte, groei, seksualiteit, ouder worden – naast nog een paar randthema's als kleding, rug, slaap.
De kleurenfoto's tonen geen modellen, maar zogenaamd gewone mensen in hun blootje. Ze poseren meestal frontaal, met hun blik naar de camera. Niet voor een wit studioscherm, maar in hun woon- of slaapkamer, keuken, hal of tuin. Meestal alleen, soms als koppel of gezinnetje. Ze zijn wat ze zijn, niet bepaald mooi, niet bepaald lelijk. Weinig jonge mensen, weinig oude. Geen mensen met een handicap, evenmin zieke. Ook wat zich als een neutrale documentaire staalkaart presenteert – de foto's zijn niet bepaald inventief qua houding of compositie – heeft dus zijn beperkingen. Opvallend is welke foto op het kaft mocht: jong, 'erotiserend' vlees kreeg toch de voorkeur.
Zeggen dat het onwennig of confronterend is te kijken naar deze naakten, is overdreven, al is het best interessant je blikrichting te observeren, je neiging tot vergelijken en oordelen. Dat er zoveel foto's zijn (een zestigtal), verschillend maar door de pose en de biologische feitelijkheid tenslotte toch eentonig, zorgt er wel voor dat het oordelen gauw achterwege blijft. Ieder blijft in haar of zijn waardigheid. Er gaat niets erotisch of opwindends van deze foto's uit, eerder belangeloze aanvaarding. Ieder mens mag er zijn, een nieuwe 'family of man'. Beweren dat de foto's artistiek geslaagd zijn, is te veel eer. Zoals blijkt uit de portfolio op haar website heeft de fotografe veel beter werk gemaakt.
In zijn ikjes sprokkelende inleiding haalt Bart Moeyaert het hoge woord
condition humaine uit zijn hoed. Ook schrijft hij: "Poëzie is de beste vriend van het lichaam. Poëzie verhult en onthult." En hij dweept met de prachtige regel 'Alle vlees is als gras' van Gerrit Komrij. Dat die overpeinzing over vergankelijkheid uit de Bijbel komt (1 Petrus 1:24) schijnt hem niet te deren, maar goed: Petrus is ook al lang dood. De selectie wordt niet toegelicht. Ze ontgoochelt me. Natuurlijk hebben de honderd gedichten allemaal wel iets met het lichaam, maar hoe slap van zegging, hoe prozaïsch of
would be poëtisch. Dit zal toegankelijke poëzie moeten verbeelden, herkenbaar, licht vooral.
Er zit te weinig reliëf in deze bloemlezing, maar ze bevat gelukkig ook enkele vertaalde dichters met een eigen toon zoals e.e. cummings, Wisława Szymborska en Mark Strand. Van de Nederlandstalige dichters springen er sterke gedichten uit van Gerrit Kouwenaar, Judith Herzberg, Wim Hofman, Toon Tellegen (een bijna exotische opsomming van waaruit het lichaam allemaal bestaat), Stefan Hertmans, Ramsey Nasr, Erwin Mortier, Eva Cox. Tussen de gedichten en de foto's ontstaan zelden verbanden, afgezien van het overduidelijke 'De held', een gedicht van Hagar Peeters naast een nadrukkelijke bodybuilder, en 'Vrouwenlichaam' van Pablo Neruda, geplaatst naast een van de weinige echt intrigerende foto's (p. 113).
Het mooiste gedicht over lichamelijkheid uit de Nederlandse poëzie, 'Mens' van Leo Vroman, ontbreekt.
Mens is een zachte machine,
een buigzaam zuiltje met gaatjes,
propvol tengere draadjesen slangetjes die dienen
voor niets dan tederheid[...]
Loop zachtjes om hem heen
en ga elders om hem wenen,
maar laat hem staan.