zaterdag 9 oktober 2010
vrijdag 1 oktober 2010
Evolutie

Hmm, smetvrees? En dan te bedenken dat men je bij een familiereünie in Zele een bijzondere lepel met een lange steel toonde. Waarvoor die wel diende? Toen de hele familie minutenlang het juiste antwoord had staan raden — vergeefs! — kwam de oplossing: dat is de lepel waarmee overgrootvader De Smedt, handelaar in veevoeders en meststoffen, de kwaliteit van de aangeboden 'beer' (gier) proefde.
vrijdag 10 september 2010
zaterdag 21 augustus 2010
Koorddansen
We saltoën hoog in de hoogte, nu
voor zich sprekend en spontaan rijmend,
en dromen van een i n d i v i d u
van woorden, haast bezwijmend.
Wat zet ons aan — waarom? waartoe? —
het vloerkleed te verlaten?
Een nooit ontraadseld Who 's Who
in val en vlucht te vatten.
Wie van zo hoog naar beneden kijkt,
ziet slechts wat verpaupert/verdwaalt.
Ik zeg: wie gedichten schrijft, blijkt
gek; wie ze gelooft, die maalt.
Ik speel met mijn astraallichaam klavier,
v i e r v o e t i g — met veertig tenen —
Met de voeten op de grond alhier
noemt men ons schizofrenen.
De Loreley maakt los d'r haar
aan de afgestorven Rijn ...
Ik zweef gracieus in levensgevaar
precies tussen vriend Heine en Vriend Hein.
'Hochseil' van Peter Rühmkorf (1929-2008) was het te vertalen gedicht voor de Vertaalwedstrijd - 3e editie (vertaling EdS). De afbeelding toont de sculptuur Het zwarte schaap van Johan Muyle op de tentoonstelling Nieuwe monumenten in het Middelheimmuseum, Antwerpen (t/m 15 september 2010).
vrijdag 13 augustus 2010
Je zag in het S.M.A.K.






dat Luc Deleu al in 1979 de laatste steen van België aanbracht (misschien kan Bart De Wever hem als voorvader adopt- of annexeren),
dat weinig bezoekers (uit eerbied voor de kunst?) op de koperen platen van Carl André durven te lopen, al wil de kunstenaar niets liever en al kan ik me niet voorstellen dat de suppoosten van het S.M.A.K. er iets op tegen hebben,
je rook dat de Wirtschaftswerte van Joseph Beuys — die vroeger, of is dat herinneringsverfraaiing, lekker geurden — behoorlijk stinken, wat een langduriger contemplatie in de weg staat (Wirtschaft stinkt, ook een statement),
dat Beuys' tekeningen tot het fijnste behoren wat na 1945 is voortgebracht, maar dat zijn Erdtelephon er ook mag zijn,
dat natuur en cultuur meer met elkaar te maken hebben dan gewoonlijk wordt aangenomen en dan denk ik niet alleen aan Marcel Broodthaers' eierschelpen en Panamarenko's Hofkes maar ook aan de nooit geziene voorwerpen van Tamara Van San,
hoe Raoul De Keyser van het schilderen naar de natuur (prikkeldraad, een kraantje met een waterslang, een krijtlijn op een voetbalveld) is weg geëvolueerd,
dat het S.M.A.K. erbij wint als er een muur wordt gesloopt en een zaal dubbel zo ruim wordt,
dat de verweerde oude stukken hout en de ruwe bruine touwen van Bernd Lohaus het uitstekend kunnen vinden met de zwarte spiegel die de wereld op zijn kop zet en de gepolijste schijf van Ann Veronica Janssens,
dat Walter Swennen het prototype of anders gezegd het heerlijk wilde oerbeeld van de bananenschil heeft geschilderd, waarvoor je zo moet oppassen omdat je er lelijk over kunt uitglijden, en iets heel moois met haaientanden,
dat de kunst van het presenteren erin bestaat twee dingen samen te voegen die elkaar haast ongelooflijk versterken: een vroege foto van Dirk Braeckman, twee dimensies dus, en een horizontaal aan een gewrongen roodbruin touw opgehangen zware metalen staaf van Giovanni Anselmo, als wisten we nu wat de afsnijding van de vrouw op de foto aan het oog onttrok,
dat videokunst, eigenlijk niet meer dan pixels, heel zintuiglijk en zinnelijk kan zijn en dat Koen Theys' fascinerende 2 uur en 55 minuten durende Lied van mijn land — Het Rijngoud en Die Walküre misschien 's beter op tv of in de bioscoop kan worden getoond, hoewel vijf minuten kijken ook al een ervaring is
en je vond het mooi dat het zuiltje in beeld ook in de projectieruimte staat: wat is waar, wat is echt?,
dat je in de Factory, het achterafzaaltje waar bijna niemand komt, in een oude fauteuil naar een dvd over Johan De Wilde kunt kijken die in zijn monomane precisie met grafiet en potlood zoekt naar fragmenten van een beeld dat ooit is geëxplodeerd,
en je haalt opnieuw zijn Ein deutscher Soldat voor de geest: geen grafsteen, geen monument, geen boektitel, geen bevel, maar wat dan wel,
en je herinnert je dat je daarnaast die reeks oude, vergeelde en kromgetrokken deuren hebt gezien die zomaar tegen een wand hangen en dus nergens voor dienen en dat je van opzij ging kijken en toen je zag dat ze echt van hout waren die golving nog fascinerender werd,
zoals het ook overrompelend is dat Peter Buggenhout zijn sculptuur The Blind Leading The Blind #9 van stof gemaakt heeft, nee geen textiel, maar zoals 'dust to dust',
en hoewel je het jammer vond dat er van de tentoonstellingskrant maar één exemplaar meer over is (ter inzage) en de vriendelijke man bij de kassa zei dat hij wordt herdrukt maar grijnzend de schouders ophaalde toen je vroeg wanneer hij er opnieuw zou zijn,
denk je dat elk nadeel zijn voordeel heeft en dat je nu tenminste niet in dat krantje hebt staan lezen maar gekeken hebt en geroken, gedwaald en gedacht en gegist,
en dat het is alsof je in Xanadu bent geweest, dat vroeger alleen een naam was en dat je er nog wel 's naartoe wilt.
Xanadu! De collectie van het S.M.A.K. belicht door Hans Theys, Citadelpark, 9000 Gent (t/m 3 oktober 2010)
vrijdag 30 juli 2010
Gehoord (3)
— Wètte wa ze nog gaon uitvinden? Uiternet! Want internet, dat is er al, hè.
— Ha! En waarvoor gaat dat dienen?
— Da weettekiknie, zenne. Da zulle ze ùk nog moeten uitvinden. (J.J., 2010)
zaterdag 24 juli 2010
zondag 18 juli 2010
Waer bestu?








1. Hoewel hij voor honderden mensen een tekst voor een doodsprentje heeft geschreven, deed Guido Gezelle dat nooit voor zijn moeder. Wel mijmerde hij in een gedicht over wat er (niet) van haar overbleef.
't En is u van u
hiernederwaard,
geschilderd of
geschreven,
mij, moederken,
geen beeltenis,
geen beeld van u
gebleven.
Geen tekening,
geen lichtdrukmaal,
geen beitelwerk
van steene,
't en zij dat beeld
in mij, dat gij
gelaten hebt
alleene.('Moederken', eerste twee van drie strofen)
2. Laurent Busine, de curator van A toutes les morts, égales et cachées dans la nuit, brengt in de tentoonstellingskrant de bezoeker meteen op de hoogte dat dit geen tentoonstelling is over de voorstelling van de dood of de doden. De kunstgeschiedenis bevat er anders genoeg: sarcofagen, mummies, middeleeuwse pleurants, voorstellingen van magere Hein met de zeis, opgebaarde of opengesneden lijken ('anatomische les'), historische moordscènes, lijkenbergen in de nazi-uitroeiingskampen en ga zo maar door. Zijn uitgangspunt was een vraag naar iets anders, precies dat waar Gezelle in 'Moederken' naar verwijst. 'Welk beeld zullen wij achterlaten van de korte tijd die wij op aarde doorbrengen, van de enkele stappen die wij hier zetten zonder dat er ook maar het minste spoor van overblijft, alsof we de aarde nauwelijks beroerd hadden? Dat weten we niet. En toch verlangen we dat van ons een beeld blijft voortbestaan — of zelfs meerdere beelden.'
3. De mijnwerkers van de industriële site Le Grand-Hornu kunnen symbool staan voor de talloos veel miljoenen voorbijgangers op aarde die nauwelijks een spoor achterlaten. In de reusachtige voormalige hooischuur heeft Christian Boltanski een lange wand volgestapeld met verroeste blikken koekjesdozen. De meeste dragen slechts een etiket met een naam, sommige een foto, een jaartal, een administratieve aantekening. Ze reiken meters de hoogte in. Wel tweehonderdvijftig stapels van dertien op elkaar geplaatste hoge dozen. Een overweldigend aantal, en toch besef je dat dit maar een fractie is van al wie ooit in de kolenmijn hebben gewerkt, en die weer maar een partikel van al hun tijdgenoten op aarde. Les Registres du Grand-Hornu slaan je echter niet plat door de macht van het getal, ze verleiden niet tot cynische onverschilligheid. Niet één bezoeker die, na overweldigd te zijn door de imposante muur, niet dichterbij gaat, namen leest, fotootjes bekijkt en even het gevoel heeft vergeten mensen — hoe onbekend ze voor haar of hem ook zijn — tot leven te brengen of althans: zich hun leven een moment voor te stellen.
4. Sporen dus, na-beelden. Arte Povera-kunstenaar Giuseppe Penone heeft zich uitgestrekt in een hoop buskusbladeren en diep uitgeademd. De broze holle sculptuur bewaart de herinnering aan een vluchtige handeling. Als je je voorstelt hoe dit kunstwerk nadien wordt bewaard: de bladeren in zakken verzameld, tot het nog eens wordt tentoongesteld en de kunstenaar weer uit Italië komt overgevlogen — tot hij er niet meer is ... en dan?
5. Er komen nogal wat spiegels voor in deze tentoonstelling. Douglas Gordon toont op een dia een zelfportret waarop hij zijn spiegelbeeld kust. Zijn lippen zijn ingesmeerd met een waarheidsserum. Een wanhopige poging om een waarheidsgetrouw beeld van zichzelf te achterhalen? Van José María Sicilia staan er twee hooggepolijste koperen platen tegen de muur, die voor de toeschouwer fungeren als een vaag spiegelbeeld. In de platen verschijnt, als je goed kijkt, een tekst: 'Quand vas-tu m'oublier' (jijzelf, narcist? of jij meekijkende nabestaande?) en 'Comment te croire'. Zestien zwart-witfoto's van Giuseppe Penone tonen evenveel varianten van zelfportretten van de kunstenaar. Zijn ogen zijn hier niet de spiegel van de ziel (als dat al kan), maar spiegelende ondoorzichtige contactlenzen bedekken iris en pupil. Ze weerkaatsen een stuk stad. Is identiteit meer dan de omgevingsfactoren die op een mens inwerken?
6. Niet alles wat op de tentoonstelling te zien valt, is kunst. Tegenover de efemere bladerindruk van Penone ligt op een sokkel een niet zo grote maar loodzware meteoriet. Sterrenstof. 'Zonder datum' vermeldt het kaartje dat erbij ligt. Elders worden relieken van heiligen uitgestald, een stukje been, een miniem strookje textiel dat een heilige ooit heeft 'aangeraakt'. Nergens wordt de willekeur van een aandenken zo duidelijk. Nergens ook de kracht van de projectie, het willen herdenken. (Mijn enige kritiek op deze tentoonstelling is dat Busine de balans tussen kunst en niet-kunst dit keer te veel naar het tweede heeft doen overhellen, ook al omdat niet alle 'kunst' het niveau van anders haalt. De twee schilderijen van Giorgio de Chirico bijvoorbeeld zijn hemeltergend lelijk.)
7. Wanneer je de black box verlaat waarin David Claerbouts videowerk Long Goodbye wordt getoond (een superpositie van een vertraagd en een versneld beeld die de kijker confronteert met het fascinerend vluchtige van een alledaagse handeling), kom je in verblindend daglicht. Het laatste luik van de tentoonstelling is honderd meter verder. Een readymade ruimte die zich altijd op de site bevindt: de crypte van de eigenaars van de mijn, de grootindustriëlen van Le Grand Hornu. De dood is de grote gelijkmaker, al proberen de voornaam gebeitelde namen en grafversierselen de maatschappelijke hiërarchie te bestendigen. Enkele nooit gebruikte nissen, kale baksteenholten, weerleggen die pretentie: gaten in de leegte. Open plekken om gevuld te worden, als de afwezigheid van dierbare doden.
Tentoonstelling A toutes les morts, égales et cachées dans la nuit, van 20 juni tot 10 oktober 2010, Musée des Arts Contemporains (MAC's), Rue Sainte-Louise 82, B-7301 Hornu.
vrijdag 16 juli 2010
maandag 28 juni 2010
Het laatste examen
Drie jaar geleden ben ik met hen scheep gegaan, al kregen ze maar twee uur les van me in de week. Duits was niet hun lievelingsvak, als ze zoiets hadden. Bij momenten viel er met hen geen land te bezeilen. Ze hadden een spanningsboog van ten hoogste tien minuten. Slechts één keer was hij langer: toen ik hen enkele nieuwe woorden voor een quiz liet tekenen. Ze leken allemaal ADHD te hebben; alleen stond het niet op papier. Een paar keer had ik zin door het raam te springen. Het zou geen grote gevolgen hebben gehad: ze zaten gelijkvloers. Ik deed het toch maar niet. 'Je bent niet iemand die de deur dichtslaat', zei een jongere collega me onlangs. De waarheid hoor je van een ander.
In het 5e jaar hadden enkelen afgehaakt, sommigen waren blijven zitten, enkelen naar een andere school overgestapt. Wie over was gebleven, bleek na de vakantie – twee maanden die op hun leeftijd veel verschil maken – gerijpt. Dat ze voor Duits ook een seminarie-uur kregen, waarin ze veel zelf konden doen, ze jongerentaal leerden ('Was ist eine Tussi?'), een paar liedjes van Nina Hagen beluisterden ('TV ist 'ne Droge!') en – wat trof dat! – de hyperkinetische film Lola rennt verwerkten, maakte sommigen zowaar enthousiast voor de taal van de oosterburen.
Het laatste jaar viel er met hen prima te werken. Of het nu om Duitse geschiedenis in de 20e eeuw ging, het verschil tussen Ossis en Wessis, proza en poëzie van Goethe, Benn, Hölderlin en Kafka – eigenlijk was geen moeite hun te veel. Toen ze met gloed hun gedicht hadden voorgedragen (een laatste spreekproef) en bewezen hadden dat ze best een toets aankonden voor buitenlanders die aan een Duitse universiteit willen studeren, bleven er nog tien minuten over. Dat zou drie jaar geleden een schrikbeeld zijn geweest, maar nu kwam het voorstel om de resterende tijd in te vullen spontaan van hen: 'Kunnen we geen liedje zingen, meneer?'
Snel de eerste en de laatste strofe en het bijbehorende refrein van 'Die Moorsoldaten' op het bord geschreven. Uitgelegd dat het wel een soort marslied uit de oorlog is, maar niet militaristisch. Integendeel: een verzetslied van de dwangarbeiders die voor de nazi's in KZ Börgermoor in Noord-Duitsland heel de dag turf moesten steken en er elkaar moed mee inzongen.
Wohin auch das Auge blicket,
Moor und Heide nur ringsum.
Vogelsang uns nicht erquicket,
Eichen stehen kahl und krumm.
Wir sind die Moorsoldaten
Und ziehen mit dem Spaten
Ins Moor.
(...)
Doch für uns gibt es kein Klagen,
Ewig kann nicht Winter sein.
Einmal werden froh wir sagen:
Heimat, du bist wieder mein.
Dann ziehen wir Moorsoldaten
Nicht mehr mit dem Spaten
Ins Moor. (2 x)
Twee keer voorzingen. Wie kan er nazingen? 'Nein, wir alle zusammen!' Het klonk nog wat aarzelend, maar overtuigd. Toen ging de bel. Ik had nog iets willen vertellen over 'das Prinzip Hoffnung' van Ernst Bloch of over het devies van Willem van Oranje 'Point n'est besoin d'espérer pour entreprendre ni de réussir pour persévérer'. Maar dat hoefden ze niet meer te horen, dat snapten ze zo ook wel – ze hadden het getoond.
Twee weken later was hun laatste examen, Duits. Om hun laatste stukje grammatica te toetsen – der Konjunktiv II – liet ik hen schrijven over wat ze zouden doen als ze uitvinder waren. Sommigen hielden het dicht bij huis. Een geneesmiddel om alles beter te onthouden (of een chip als een usb-stick, om in je hoofd te planten). Nooit meer black-outs, geen paniek meer voor een examen. Maar ze zagen ook het nadeel. We zouden allemaal even intelligent zijn en er zouden geen buitenbeentjes meer bestaan. S., met het profiel van een mannequin, zou een elektronische kleerhanger ontwerpen, die al de door haar te passen kleren verzamelt en de gekochte voor haar naar de kassa brengt.
Anderen keken verder. Ch. zou een elfenstof uitvinden, die alle kinderen gelukkig zou maken en oorlog, pijn, hongersnood uit de wereld zou helpen. De stof zou een misdadiger veranderen in een bloem of een vlinder. Het woord 'Schmetterling' was ze niet vergeten. C. dacht aan het eeuwige leven en net op tijd dat het te lang zou duren, dat het haar te oud zou maken en ze niet de eenzaamste mens op aarde zou willen zijn.
Een paar vullen onverwacht de witruimte onderaan op het laatste examenblad met iets persoonlijks, dank en een wens die de bescheidenheid verbiedt te citeren. Op de al erg lege speelplaats vraagt een jongen uit 5: 'Is het waar dat alle leraren Duits volgend jaar vertrekken?' (Wishful thinking?) 'Ik hou het nog wel een paar jaar vol', stel ik hem gerust (?). Een dag later, bij de deliberatie, blijkt de hele klas 6EMT-LMT geslaagd. Hun leven, het leven elders kan beginnen.
En ik moet weer denken aan enkele regels uit een van de Sonnetten van een leraar van Ida Gerhardt. 'Dit is mijn land. Ik zal niet meer verkassen: [...] Vergeef mij, God, mijn duizendvoudig falen. / Ik kon dit nimmer in mijn schema passen. // En rebelleerde. –Maar ik ben gezwicht: / Te sterk zag mij mijn werk in het gezicht. / Het is mijn prachtige, mijn hondse baan.' Op het eind van het schooljaar – en nee, niet vanwege de nakende lange vakantie – vooral prachtig.
Abonneren op:
Posts (Atom)













