
Ze kenden elkaar niet veel langer dan een half jaar. Zij was 26, hij 24. Van uitgever J.W. had ze de opdracht gekregen een boekje te schrijven ten behoeve van het literatuuronderwijs. Ze besloten er samen aan te werken. Op haar helemaal in het blauw geschilderde zolderkamer, waar een donkerblauwe ligbank stond, wisselden ze het minnekozen af met denken, praten en schrijven over wat ze beiden (toen en ook later) de beste roman van Harry Mulisch vonden. Toen het manuscript moest worden ingeleverd, stelde ze voor een pseudoniem te gebruiken: de naam van haar vroeg overleden moeder. Dat was, Chantage op het leven
indachtig, een mulischiaanse truc, een kleine overwinning op het onherroepelijke. Nu en dan moesten ze lachen om de situatie: dat uitgerekend zij twee, daar, toen, zich bogen over Het stenen bruidsbed.
_______
Wat de mens wil ontsluieren is het raadsel van zijn bestaan, de ultieme werkelijkheid, 'die niet meer verhelderd kan worden, die geen achtergronden meer heeft omdat ze zelf achtergrond is en werkelijkheid: de bodem van de hoge hoed waarin de konijnen huizen.' (
Voer voor psychologen, 1961, p. 85.)
Dit zijn wordt oppervlakte, krijgt vorm in zijn negatie: het niets, de dood. Pas in de vernietiging wordt de existentie zichtbaar; geconfronteerd met de dood beseft de mens dat hij leeft. M.a.w. het niets maakt het mysterie helder, maar heldert het niet op, geeft geen antwoord op de vraag naar het waarom, de zin van de werkelijkheid, zodat het zijn in de mens een niet eindigende verwondering en verbazing blijft wekken:
Verbazingwekkender dan wat de mensen doen, is het feit dat ze er zijn. De verbazing over dit elementaire gegeven, is misschien één van de dingen die ik voelbaar wil maken — uiteraard door middel van wat ze doen.
(Voer voor psychologen, 1961, p. 38.)
In zijn roman
Het stenen bruidsbed heeft Mulisch het raadsel van het leven aanwezig gesteld, uiteraard langs de vernietiging ervan, nl. het bombardement op Dresden. Het is betekenisvol dat Corinths zoektocht naar de zin van het bestaan gebeurt in een ruimte van verwoesting. Immers, geconfronteerd met de zinloze vernietiging, beseft Corinth het eenvoudige en toch zo verbazingwekkende feit
dat hij leeft. Op het ogenblik van zijn depersonalisatie is Corinths reis ten einde. In het niet-bestaan is zijn bestaan zichtbaar geworden. Deze reis heeft echter geen verduidelijking gebracht: Corinth kan zichzelf, zijn verleden niet bereiken of begrijpen. Ertussen bevindt zich het bodemloze zwarte ravijn van het niets, het raadsel.
[...] het enige wat de lezer van deze reis meebrengt als 'souvenir', het enige wat hem rest van zijn leven is een kleine, zwarte goochelaarshoed met op de bodem ervan de verwondering over het duistere feit van leven en dood.
Uit: Marie Delleuse, Omtrent Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch (Manteau, Brussel & Amsterdam, 1978)