vrijdag 14 oktober 2011

'De orde van het andere'



'Wat men deze morgen reeds met zich meedroeg, hier in de kerk komt het tot een duidelike ervaring: het begrip van de dood als bittere uiteindelikheid, tegenover deze ervaring van het gelijkmatige licht geplaatst, beschikt niet meer over deze synthetiese kracht, die, in ons, vroeger vermocht de fenomenen naar dit meegebrachte begrip te ordenen. Het is geheel anders. Haast zichtbaar, stoot dit begrip van de dood aan de klaarte van de kerk, gelijk een kurk aan de waterspiegel stoot. Twee waarden staan abrupt naast elkaar: de dood en het licht en het gelukt ons niet, zoals vroeger, de fenomenen van dit begrip naar de orde van het andere te denken. Wel integendeel spoelt de vloed van het licht de kurk voortdurend naar het strand.

Plots staat men met het meegebrachte waardeoordeel des doods als met een verrekijker in de kamer.'








Tekst: Paul van Ostaijen, slot van 'De uitvaart', 1926.

Foto's: tentoonstelling Van de koele meren des doods. Beelden van de dood in de hedendaagse kunst, Sint-Bernardusabdij, Kloosterstraat 71, 2880 Bornem (t/m 4 december 2011). Van boven naar onder: Remco Roes, Everything in between (videowerk, 2010), Jan Van Oost, Mimesis (marmer, 2010), gang met werk van o.a. Xavier Tricot, Xandra Paijmans en Eleanor Crook, fragment uit Margriet Luyten, Dead Hand Dad (wandkleed, jacquard geweven, 2010), Xavier Tricot, Lijk (corpse) (olie op doek, 1996), Xandra Paijmans, Alfa en Omega. Lou lacht liever langer (glas, metaal en keramiek, 2011), glasraam en traphal in de abdij.

donderdag 6 oktober 2011

Flaneur in de supermarkt


Er bestaat een wereldberoemde foto van Andreas Gursky, 99 Cent (1999), tevens de duurste foto die ooit werd verkocht. Hij toont een panoramisch overzicht van rijen en rijen rekken in een supermarkt vol voedingswaren waarvan de prijs 99 cent bedraagt. De foto is zo overvol van consumptiegoederen dat het even duurt voor je opmerkt dat er zich tussen de rekken ook mensen bevinden.

‘Lange tijd ben ik niet graag naar supermarkten gegaan’, zo begint de Berlijnse auteur David Wagner zijn roman Vier Äpfel (Rowohlt), met een duidelijke knipoog naar Prousts À la recherche du temps perdu. De middag in een supermarkt die hij in 144 stukjes beschrijft is in zijn ogen dan ook uitzonderlijk begonnen. De vier appels die hij op de weegschaal heeft gelegd wegen exact 1000 gram. Dat lijkt de ik-figuur eerst een gunstig voorteken. Later zal hij bedenken dat het gewoon met de standaardisering in de fruitteelt te maken heeft.

De dubbelheid van verleidelijke schijn en ontluisterende werkelijkheid is een rode draad door het boek. De supermarkt met zijn overaanbod aan nuttige en overbodige producten – de veelheid van keuzes die je moet maken zou kopers van een paar generaties terug tot wanhoop drijven – geeft hem aanvankelijk het gevoel in een paradijs of Luilekkerland te vertoeven. Terwijl hij met zijn winkelwagentje langs de rekken flaneert, ontleedt hij scherpzinnig waar zijn oog allemaal op valt. Een pot honing uit Mexico bijvoorbeeld, met een etiket dat een Alpenhut toont: om ecologisch bewuste klanten de indruk te geven dat ze een streekproduct kopen, dat geen enorme, milieubelastende afstand heeft afgelegd?



Afdeling na afdeling trekt aan het geestesoog van de lezer voorbij, begeleid door verwonderde, scherpzinnige en soms sarcastische observaties. Intussen geeft de ik-figuur mondjesmaat iets van zijn eigen leven prijs, al lijkt de supermarkt de plaats bij uitstek van identiteitszwakte en vergetelheid. Hij herinnert zich taferelen uit zijn kinderjaren, toen er nog kleine kruidenierswinkels bestonden, je melk op de boerderij ging halen en wormstekige appels bij oma in de kelder lagen te verschrompelen. Maar dat verleden is geen idylle. De groentetuin lag vlak naast een kerncentrale en omdat hij de boerderij zo vies vond, goot hij op een dag melk uit tetrapakken in de kannen die zijn moeder hem had meegegeven. ‘Een paar keer deed ik dat zo, toen vond ook mijn moeder dat de koeienmelk van de boerderij nauwelijks verschilde van de melk uit de koeltoog. Kort erna bracht ze de melk uit de supermarkt zelf mee.’

De verstrooiing door waren, die Walter Benjamin al in de 19e eeuw onderkende, is begin 21e eeuw zo vanzelfsprekend dat niemand nog spreekt van een consumptiemaatschappij, hoewel die onze samenleving ten voeten uit tekent. De gevoelige waarnemer en winkelantropoloog die hier zijn rondjes maakt, laat er zich niet toe verleiden meer te kopen dan hij nodig heeft, en toch voelt hij de verleiding die op hem uitgaat van wat uitgestald is. Zijn reflecties gaan zelfs een paar keer in dagdromen en fantasieën over: een supermarkt waar je een geschikte partner kunt vinden, zwemmend in een groot aquarium als de kreeft die je in het chique restaurant kunt aanwijzen. Of de fascinatie door de tegenhanger van de flaneur, de passante: een ontmoeting bijvoorbeeld met een vrouw die net dezelfde producten in haar wagentje heeft liggen en dus wel je ideale partner ‘moet’ zijn.



Geremd in zijn handelingen, een opgedreven reflectievermogen: het maakt deze hedendaagse flaneur tot een onvervalst melancholicus, mijmerend over de mens die tot consument verschrompeld is, een programmeerbaar ding tussen de dingen, waarvoor het onderscheid tussen het natuurlijke en het kunstmatige uit de tijd is. Wat de ik-figuur werkelijk mist, is de vrouw die hem drie jaar geleden voor een ander in de steek heeft gelaten. L. heet ze, met een allegorisch algemeen initiaal (‘elle’). De herinneringen aan haar cirkelen rond koopgewoontes, haar opvattingen over producten, merken die ze kocht. ‘I shop therefore I am’, zoals de slogan luidt waarmee de kritische conceptkunstenaar Barbara Kruger het denkfundament van Descartes uitdagend bij de tijd bracht. Het romaneske essay van David Wagner dompelt je onder in het consumptiekapitalisme en herschept, onnadrukkelijk, de denkende consument.

donderdag 29 september 2011

Interval



tijd? vroeg goldenberg zich verwonderd af



en enkele dagen later,



nadat hij over de kwestie had nagedacht,



vond hij, is alleen maar het geheel in stukken snijden



en door de zintuigen, voegde hij eraan toe,



toen ze het er weer over hadden.

Uit: Konrad Bayer, het zesde zintuig. een roman, vert. Erik de Smedt, Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2001.

maandag 19 september 2011

Collegetijd: staart (Anamnese, 6)

– Heb je nu alles verteld?
– Ik schat nog geen vijf percent.
– En de rest?
– Deels niet belangrijk genoeg gevonden, deels houdt het zich schuil in een hoek van het geheugen en deels (glimlacht) ... het verborgen leerplan, zullen we maar zeggen.
– Wat bedoel je daarmee?
– Dat je dingen op school leert die niet in het leerplan staan en die je ook niet van leraren hoort.
– Je maakt me nieuwsgierig.
– Soms dingen waar je met schaamte aan terugdenkt ... We hadden een oude aardrijkskundeleraar, meneer W. Hij had de wereld rondgereisd, wist heel veel, was de minzaamheid zelve en toch ...
– Vertel op!
– Hij kwam altijd met overjas en hoed de klas binnen, hing zijn jas aan de kapstok en legde zijn hoed omgekeerd op de vensterbank. Op een winterdag openden een paar leerlingen die het bord hadden afgeveegd het raam en stopten zijn hoed vol sneeuw. Hij was te verstrooid om er erg in te hebben. Toen hij bij het eind van de les zijn hoed opzette, droop het water langs zijn gezicht. Hij keek bedrukt maar zei geen woord. De hele klas gierde van het lachen.
– L'age sans pitié! Waren jullie altijd zo tegenover vakleraren?
– Gelukkig niet. Soms zorgden ze zelf ongewild voor hilariteit. Ik herinner me de altijd blozende scheikundeleraar meneer C., die toen een van de jongens hem met een schuin hoofd zat aan te kijken, zich met ongelukkig stafrijm versprak: 'Wat is 't, Bové, hebt ge ne stijve stek?' Waarna bleek dat hij nóg meer kon blozen.
– Dat vergeet je natuurlijk niet.
– Ach, er zijn zoveel figuren van wie ik me alleen maar iets herinner. Madame Jeanne bijvoorbeeld, een echte 'Brusselès' met haar verwarde haardos en eeuwige lichtblauwe nylon stofjas. Ze rookte te pas en te onpas sigaretten. Ik geloof dat ze de enige vrouw was die zelfs in de slotgangen van de paters mocht komen, ze kon geen kwaad. Of pater Verschueren van het beroemde woordenboek, die de leeftijd had bereikt waarop hij in de gangen zwijgend de planten mocht gieten.
– Dat is toch geen verborgen leerplan?
– Ik weet het nog zo niet. Je hebt op die leeftijd de neiging veel emblematisch te zien: voor mij belichaamden ze wat toen 'een remedie tegen de liefde' werd genoemd, respectievelijk de relativiteit van aardse roem.
– Leerde je ook dingen die je niet verondersteld werd te weten?
– (Glimlacht) Ik herinner me dat op een ochtend na het weekend Piet G. verslag deed van iets wat in een café in zijn dorp had plaatsgevonden: een wedstrijd om ter langst tongkussen.
– Hm, wel kras in die tijd.
– Ja, sommigen dachten nog dat het om een wedstrijd 'kussen op een ton' ging. (Ze lachen.)

zondag 11 september 2011

Genesis herzien



En God sprak: 'Er zij licht.' '... Er zij licht!' '... Er zij licht!!'
En er was licht.

donderdag 8 september 2011

zaterdag 27 augustus 2011

Collegetijd: slot (Anamnese, 5)


Het voorlaatste jaar heet, nog volkomen terecht, de poësis. Hun klasseleraar, pater Leo Vandekerckhove, moet al zowat zestig zijn, maar dat zou je hem niet nageven. Op het ingesloten speelplein wil hij nog wel 's met lichtjes opgetrokken wapperende soutane met de jongens mee een balletje trappen. Beweeglijk is hij, tot in zijn mimiek toe. Voor de klas staan is voor hem optreden, als een acteur. Nu en dan chargeert hij, wat de jongens met zin voor karikatuur wel bevalt. Als iets hem niet bevalt, gooit hij zijn hoofd achterover, knijpt hij de ogen halfdicht, trekt hij zijn mond tot een pijnlijke grimas en voert hij zijn rechterhand naar zijn hartstreek. Soms laat hij daarop nog een lang aangehouden hoofdschudden volgen, met intussen weer diep gebogen hoofd.

Zo trekt hij ten strijde tegen leerlingen die er met hun pet naar gooien, maar vooral tegen de nieuwigheden en de democratisering die in die jaren steeds feller de kop opsteken. Hij schampert over Nederland en het Frankrijk van mei '68 – 'z'hebbn daar ándere katten te gheselen!', maakt zich druk over stilaan uit de kast komende 'hoo-moo-seks-u-wee-len' (een woord dat hij vol spot uitspreekt), vertelt met een mengsel van afschuw en verdriet over zijn oud-leerling Jef Geeraerts, die hem een van zijn Gangreen-romans heeft gestuurd. ''k Heb het een keer bekeken en het boek gelijk in de prullenmand gegooid: 't is ne vuile pitou!' Op indirecte wijze sijpelt de veranderende wereld het klaslokaal binnen. Doordat hij nooit een blad voor de mond neemt – 'Maak dat de ghanzen wijs!' – krijgen zijn leerlingen oog voor het onderscheid tussen wat iemand zegt en hoe hij het zegt, tussen feiten en gekleurde meningen. Ze doorzien zijn retorische truc wanneer hij na een volgens hem overduidelijk godsbewijs en moe van het discussiëren een paar sceptische leerlingen toebijt: 'Ghe moet niet veel verstand hebbn om dat te beghrijpn!'

In hem alleen een strijdbare conservatief zien zou onrechtvaardig zijn. Net als zijn grote voorbeeld Guido Gezelle spreidt Vandekerckhove een gezonde dosis anarchisme tentoon door buiten de lijntjes van de vakken te kleuren. Hij geeft op meeslepende wijze Nederlandse en Franse literatuur. Zijn verdriet om Baudelaires zondig leven belet hem niet om zijn enthousiasme over diens poëzie de vrije loop te laten, al ruimt hij natuurlijk ook veel plaats in voor de lyrische Péguy en Claudel. Onvergetelijk zijn z'n lessen over Guido Gezelle, die hij uiteraard met West-Vlaamse tongval laat klinken, een aanleiding voor de Tieltenaar die hij is om uit te pakken met een auteur van wie ook toen niemand had gehoord, Warden Oom.

Elke dag laat hij hen een gedicht(fragment) uit het hoofd leren, niet alleen in het Nederlands en Frans, ook in het Engels, Duits en Italiaans. Wie hapert, mag de volgende dag opnieuw komen tot hij het moeiteloos beheerst. Dat je de tekst van Shakespeare, Rilke of Petrarca nauwelijks of maar half begreep, deed er niet toe. Daar is mijn fascinatie voor het vertalen ontstaan en de instemming met de uitspraak van T.S. Eliot 'Genuine poetry can communicate before it is understood.' Als er inspectie kwam, hoorde ik later, werd hij plots 'ziek'. Ik vermoed omdat hij in eerlijk zelfbesef wist dat het geen zin had zijn bevlogenheid met een gewone lat te laten meten.

Een sluwe gril van het lot wil dat ze in retorica een jonge, pas gewijde jezuïet als klasseleraar krijgen. Pater Jan De Vos straalt de nieuwe tijdgeest uit: hij staat niet meer voor de klas, maar gaat zitten, spreekt zijn leerlingen vriendelijk aan, daagt hen uit om mee te denken, verwacht mondige wezens, bijna gelijken. Sommigen vinden hem eerst wat 'soft', vergeleken bij de vaak autoritaire, zelfverzekerde leraren in de voorgaande jaren. Wat hij aan twijfel en aarzeling demonstreert, blijkt algauw het waarmerk van de kritische intellectueel, die — dat wordt tussen de regels merkbaar — een eitje te pellen heeft met de eerbied voor autoriteit die te lang in zijn orde, aan de universiteit en in de samenleving bon ton is geweest.

In plaats van de thomistische godsbewijzen leest hij met hen hoofdstukken uit Harvey Cox, De stad van de mens. Hij toont hun Edipo Re en Teorema van Pasolini en als ze weten dat hijzelf niet onaardig gitaar speelt en zingt, krijgen ze het gedaan dat ze met de klas in een Brusselse bioscoop naar Woodstock gaan kijken. Wanneer ze dan ook nog in de KVS een opvoering van Hugo Claus' stuk Vrijdag bijwonen en een klasfuif organiseren waarbij ieder een meisje mag meebrengen (en de pater zijn jonge zus), is voor sommige ouders de maat vol. De Vos laat zijn leerlingen niets merken van de tegenwind die hij krijgt. Deze 'querelle des anciens et des modernes' speelt zich achter de schermen af. Enkele jaren later zal hij vertrekken naar Mexico, bij de indianen de bevrijdingstheologie in de praktijk brengen, de orde verlaten en trouwen.

Hun laatste schoolretraite, misschien heten ze al bezinningsdagen, beleven ze in het pas gebouwde, modernistische Godsheide bij Hasselt. Geen van de jongens blijkt een geestelijke roeping te voelen. De meesten zullen na de vakantie voor advocaat, dokter, ingenieur of leraar studeren. Ze beseffen maar half hoe geprivilegieerd ze zijn – om wat ze kunnen gaan doen en om wat ze meegekregen hebben.

woensdag 10 augustus 2011

Beenhouwer


Toen we uit Brabant als economische vluchteling naar de Kempen migreerden, bleef de cultuurschok niet beperkt tot het vruchteloos speuren naar berg en dal, loofbomen en kromme straten. Ook onze taal verraadde onze vreemde afkomst.

Toen T., zoals we dat in Brabant gewoon waren, af en toe het woord ‘beenhouwer’ gebruikte, kwam prompt de repliek: 'Ah, den beenhouwer – da’s een goei: hij geeft het vlees en houdt het been'. (‘Houden’ is in het Kempense dialect nu eenmaal iets als ‘haauwe’. Dat ‘houwen’ ook ‘slaan’ of ‘hakken’ kan betekenen, speelde blijkbaar geen rol.) Sindsdien zeggen we netjes ‘slager’, zoals iedereen.

dinsdag 2 augustus 2011

donderdag 28 juli 2011

In Nederland














Maar ook, na het bestellen van een stuk lemon and lime kaastaart: ‘Kan ik u met twee vorkjes een plezier doen?'