zaterdag 14 december 2013

donderdag 21 november 2013

vrijdag 1 november 2013

'Zal verwelken als gras' (Friederike Mayröcker)

















Zal verwelken als gras
ook mijn hand en de pupil

zal verwelken als gras
mijn voet en mijn haar mijn stilste woord
zal verwelken als gras
je mond je mond
zal verwelken als gras
je kijken in mij
zal verwelken als gras
mijn wang mijn wang en de kleine bloem
waarvan je weet zal verwelken als gras
zal verwelken als gras
je mond je purperkleurige mond
zal verwelken als gras
maar de nacht maar de nevel maar de volheid
zal verwelken als gras zal verwelken als gras

'Wird welken wie Gras' [1947], in: Friederike Mayröcker, Tod durch Musen. Poetische Texte, Luchterhand, Darmstadt en Neuwied, 1973 (vertaling Erik de Smedt)

vrijdag 18 oktober 2013

dinsdag 1 oktober 2013

'Kommt, ihr kleinen Krabben!' (G. Büchner)


‘Er was eens een arm kind, ’t had geen vader en geen moeder, die waren allemaal dood, en er was niemand meer op de wereld. Allemaal dood, en het is weggegaan en heeft gezocht, dag en nacht. En omdat er op aarde niemand meer was, wou het naar de hemel gaan, en de maan keek het zo lief aan; en toen het eindelijk bij de maan kwam, was het een stuk rot hout. En toen is het naar de zon gegaan en toen het bij de zon kwam, was het een verwelkte zonnebloem. En toen het bij de sterren kwam, waren het kleine gouden muggen, die waren opgeprikt zoals de negendoder ze op de sleedoorns prikt. En toen het weer naar de aarde wou, was de aarde een omgevallen pispot. En het was helemaal alleen. En toen is het gaan zitten en heeft gehuild, en daar zit het nog en is helemaal alleen.’

‘Antisprookje’ van de grootmoeder uit het toneelstuk Woyzeck (1836) van Georg Büchner (geb. 17-10-1813 – gest. 19-2-1837), vert. Erik de Smedt.

vrijdag 6 september 2013

zaterdag 10 augustus 2013

Monoloog

 
 
kan
ik
als
hond
in
de
wolken
zijn

ik straatloper
geurzoeker
mensenvriend

ik boomgieter
nevelsproeier
ruitenlikker

ik achterblijver
spiegel-
verkeerd
mijn derrière

ik
voyeur
achter
tralies
van
glas
 

woensdag 17 juli 2013

Stella in Vorselaar




















niet Stella Artois maar Frank Stella, zie ook Black Series (1967)

vrijdag 28 juni 2013

Bucolica (A. Polgar)


Emilie koestert sympathie voor het platteland en het landelijke. Ze houdt van de geur van mest en akkers, het rinkelen van koebellen, het liefdes- en overige leven van goedsmakende kippen, lederhosen met patina, het zinnelijke geluid dat het meer maakt wanneer het, opgewonden door de avondwind, tegen de oevers aanstoot (zoals de jonge kerel met zijn schouder die van de pruilende meid), de moorddadige idylle in het konijnenhok, mond- en muilwerk van de boeren en vooral hun zang bij het citerspel, als ze zo stevig neerzitten rond de stevige tafel met hun stevige, gedeeltelijk voortreffelijk gevormde leden en bier drinken of wijn of allebei tegelijk.

Emilie vindt het belangrijk dat het zo toegaat in de gelagkamer, verlangt trouwens dat op het land alles volgens de landelijke norm verloopt, zoals de stedeling droomt. Het beekje moet murmelen, de oogstarbeider moet af en toe op zijn zeis leunend  blijven staan en het zweet van zijn voorhoofd wissen, het plattelandsvolk moet braaf zijn maar ook ruw, godvrezend maar ook pittig (het antwoord van boer Jogl op de vraag waarom hij niet trouwt: ‘Bah, waarom zouwekik? Van de stadsmensen krijgt ge ’t toch voor niks!’ doorpriemde Emilies hart), de boswachter moet een bruine volle baard hebben, de pastoor een meid over wie gemonkeld wordt en de dorpsgek een even naïeve als diepe filosofie. Met tegenzin vergeeft Emilie de herder zijn fluit. Maar in elk geval wil ze ’s avonds in de gelagkamer de klank van de citer.

De citer is een vervelend instrument, waar ook frisse muziek meteen in verwelkt en elke melodie, al was ze helemaal nieuw, in een mum van tijd honderd jaar oud wordt. Het heeft er misschien mee te maken dat de toon zo verschrikkelijk beeft. Maar dat sidderen is nu eenmaal om zo te zeggen de idee van de citer. Hij roept, dat valt niet te ontkennen, dwingend landelijke voorstellingen op. De toon ervan is zo smal als een boerenkamer, eenvoudig als de levenswijze van een werker op het veld, dun en hoog als het tsjirpen van krekels, van oudsher overgeërfd als een voorouderlijke zede, en zo ver weg van de stad en het heden als het spinrok van de Verenigde Textielfabrieken Pollitzer & Co. N.V.

Dus wilde Emilie absoluut niet in de grote, lege kamer gaan zitten maar in de volle, kleine vanwaar de citer klonk. Op rook en stank wijzen haalde niets uit. Pas het bezwaar dat de aanwezigheid van vreemden de inboorlingen zou storen, dat hun muziekbeoefening niet langer vrij, ongedwongen en honderd procent echt zou zijn, deed Emilie van mening veranderen.

Inderdaad, er werd uitstekend citer gespeeld in de aangrenzende kamer. De stemmen van de zangers klonken beslist welluidend. De jodelaar klom niet alleen twee- maar drie- en vierstemmig de hoogte in en viel van de hoogste top met een kopsprong melodieus naar beneden. Emilie vond het muzikale natuurtalent van deze eenvoudige mensen iets wonderlijks, ze zouden in de stad een concert kunnen geven.  Als een lied voorbij was, weerklonk er gestamp, gelach, applaus en geroep en de glazen werden flink tegen elkaar gestoten. Na het ‘hemelsblauwe meer’ met een jazzachtige harmonische verschuiving was Emilie niet langer te houden. Ze liep naar de inboorlingen in de kamer vol rook.

Daar zaten ze nu echt, zoals de natuur het wil dicht bijeen, opgemonterd door bier en tabak, de mannen met hun stevige leden stevig rond de stevige tafel. En op die tafel stond een grammofoon.

Emilie keerde meteen terug en kwam om zo te zeggen verbitterd naast uw dienaar zitten. Ze klaagde dat de techniek nu ook het laatste overblijfsel van echt landelijk bestaan vervalste, dat de cultuur ook het laatste restje natuur om zeep hielp. Waarachtig, zoiets moest een vriend van boerenoorspronkelijkheid tot in zijn ingewanden raken: gecondenseerde citermuziek naar hier geïmporteerd, naar hier in dit dal waar ze ooit toch gedijde als graan en loof! Schnadahüpfl in blik! Jodelaars in conserven! Och, ze zullen nog ozon naar het bos leiden, odeur d’étable in de varkensstal, ze zullen het meer spoelen, het patina voor lederhosen in de fabriek vervaardigen, kunstmatige korenvelden, die beter golven dan de echte, in de landelijke kluiten laten zakken en rubberen vliegen invoeren voor de soep van de zomerse vakantieganger!

De natuur, Emilie heeft gelijk, wordt steeds meer afgebroken. En de zogenaamde natuurlijkheid samen met haar. Waar vind je vandaag de dag nog mensen die zich tonen zoals ze zijn, die de zeden en gebruiken van hun vaderen niet verloochenen? Misschien bij Schwannecke, in het theater. En ook daar slechts na opzwepende premières.

Uit: Alfred Polgar (1873-1955), Kleine Schriften, Band 2: Kreislauf, Rowohlt, Reinbek bei Hamburg, 1983 [oorspronkelijk in: Das Tage-Buch, 10-8-1928], vertaling Erik de Smedt.