dinsdag 1 april 2014

Dubbele binding


                                     Dubbele binding (communicatie), Wikipedia.nl

donderdag 20 maart 2014

'Tafelmuziek' (Oskar Pastior)


Tafelmuziek. Tino is in de tuin en ziet een sinaasappel. Hij zegt wat is dat voor een bloem. Hij vraagt wat is dat voor een wolk. Vader zegt een bloem is een bloem. Tino neemt de sinaasappel en zegt vader schil de wolk voor me. Vader schilt de bloem en geeft Tino zes schijfjes. Vader eet een schijfje en zegt een schijfje is een schijfje. Tino eet. Hij zegt dat is een schijfje wolk het smaakt naar bloem. Hij vraagt wat is dat voor een bloem. Vader zegt een wolk is een wolk en een sinaasappel is een sinaasappel. Tino ziet een slak. Vader ziet een Calabrees hondje. Vader zegt wat is dat voor regen in de tuin. Hij vraagt wat is dat voor een kometenstaart in de tuin. Tino zegt dat is geen kometenstaart in de tuin dat is een sinaasappel met twee hoorntjes. Vader schilt de sinaasappel en zegt hier is een schijfje regen hier is een schijfje sneeuw en hier is een schijfje dinges. Fijn zegt Tino en geeft de schoorsteenveger een sinaasappel.


Oskar Pastior (1927-2006), 'Die Tafelmusik' in: Gedichtgedichte Höricht Fleischeslust (Heyne, München, 1982), p. 136, vertaald door Erik de Smedt.

zaterdag 22 februari 2014

In memoriam Leo Vroman (1915-2014)


Bij een kop koffie las ik vanmorgen in de Trouw-bijlage Letter & Geest de bespreking van Leo Vromans jongste dichtbundel Die vleugels. 'Bijna honderd' werd de dichter genoemd, wat je eigenlijk niet mag doen. Vanavond hoor ik op de radio dat de dichter vandaag op 98-jarige leeftijd is gestorven. 'Wat moet mijn brein anders doen, als het geen gedichten mag bedenken?' werd de dichter in het artikel geciteerd. Toen hij 93 was, publiceerde hij een bundel met de ontwapenende titel Nee, nog niet dood. Als eerbetoon mijn recensie van toen, verschenen in De Leeswolf. 

In zijn lange dichterscarrière heeft Leo Vroman nooit heilige huisjes ontzien. Hij lapte de modernistische dwang tot autonome poëzie aan zijn laars – hij schreef vrolijk over zichzelf – en hij had maling aan overdreven (klassieke of experimentele) ernst. Een gedicht mocht best banale passages bevatten of al 's melig rijmen. Nee, nog niet dood is een sterk autobiografische bundel. De dichter is in de negentig, speels en levendig als steeds, maar de dood ligt in het verschiet. De meer dan 70 gedichten mijmeren over de eenheid van lichaam en geest, die de bioloog zo vertrouwd is, en over het leven als reis in de tijd: “Vreeswaardig reizen is dit soort / waarin de onomkeerbaarheid / van alles wordt geopenbaard, / want wij reizen niets dan voort.” Ook deze bundel bevat psalmen, waarin Vroman zich richt tot het Systeem, het oneerbiedige en indringende vragen stelt. Hij onderkent de contradicties in zijn leven (“De koe die ik aaide kon mij niet beletten / dat ik nog steeds van biefstuk houd”), waar hij zo aan gehecht is en ziet tegelijk onthecht de dood tegemoet. Die is niet het einde van alles, maar een herschikking van atomen, een nieuwe, ongekende manier van op de wereld zijn: “Gek op het leven en dan toch alsof / mij het sterven niet zo veel kan schelen / zolang mijn uitgepaarde stof / de regenwouden nog mag strelen /  [] desnoods als uitgestorven boeken / nog tweedehands te koop.” Toch doemen er ook beelden van catastrofen in hem op. Met het eigen sterven lijkt immers ook de wereld te verdwijnen, die zo al neigt naar cataclysmen. De Twin Towers, massamoorden, ongehoorde martelingen zijn in enkele gedichten nadrukkelijk aanwezig. Een expliciet geëngageerd gedicht vermaant de ‘Arme dictatoren’ “Lijdt je volk aan honger, vrees / dan hun honger naar je vlees”.

Poëtisch indrukwekkender zijn de gedachte-experimenten. Zou het heelal anders zijn als ik een ander werveldier was? Waarom steeds onze behoefte aan metingen? Hoe was de jongen die ik ooit ben geweest? Wat blijft erover als mijn lichaam is ontlijfd? En navrant de vraag naar wie overblijft: Ik eerst? Jij eerst? Of samen?
Voor de dichter is er altijd nog de troost dat zijn woorden, haast een lijfelijk deel van hem, door anderen worden naar binnen gewerkt: “Geloof maar dat iets van mij dat merkt. / Dan ben je zoveel dichter bij. / Niet bij die dichter, maar bij mij.” Nee, nog niet dood is niet Vromans beste bundel – daarvoor bevat hij wat te vaak stoplappen en gauw op het blad geworpen onafheden – maar wel een menselijk indrukwekkend getuigenis. En in die grote hoop vind je enkele parels. De twee mooiste: het experimentele, hilarische ‘Slotbestellinghoedanigheidsvoorstellingen’ waarin de taalcreatieve dichter, samenstellingen smedend, in zes stukjes van a) tot f) de lijkbidderernst rond het sterven en begraven voor schut zet:

c) De lijkverplichtigingheidskerkte
leidt tot beschavingsgewijsbeperkte

oorschotkundigbuitenonbemerkte
publiekverjammeringssterkte.

en het bijna klassieke, elegische toekomstvisioen over wat ‘De ander’ dan doen zal: “De ander zal huilen in de lege / schoenen en ze wat bewegen, / de kuil in het andere kussen zoenen /
[] zal eindelijk, nog onuitgepraat / en helemaal onuitgesproken / slapen met een arm uitgestoken / naar degene die al lang niet meer bestaat.” 

donderdag 23 januari 2014

zondag 29 december 2013

Helga M. Novak (1935-2013)

 

kan niet opstijgen niet vallen

het lijkt wel of ik
het vliegen heb verleerd
kan niet opstijgen niet vallen
vleugellam
zit ik daar en broed
liefdesverklaringen uit

terwijl er toch heel wat vogels bestaan
die nooit van de aarde loskomen
en springen en paraderen
met opgezette veren
door het wuivende gras

ik ben vandaag een meerkoet
en zoek je in het riet
waar je ongetwijfeld
met je vele zwarte haren
verstrikt bent geraakt
denk maar niet dat ik je losmaak

Helga M. Novak, 'kann nicht steigen nicht fallen' in: Liebesgedichte, Schöffling & Co., Frankfurt a.M., 2010 (vertaling Erik de Smedt)

zaterdag 14 december 2013

donderdag 21 november 2013

vrijdag 1 november 2013

'Zal verwelken als gras' (Friederike Mayröcker)

















Zal verwelken als gras
ook mijn hand en de pupil

zal verwelken als gras
mijn voet en mijn haar mijn stilste woord
zal verwelken als gras
je mond je mond
zal verwelken als gras
je kijken in mij
zal verwelken als gras
mijn wang mijn wang en de kleine bloem
waarvan je weet zal verwelken als gras
zal verwelken als gras
je mond je purperkleurige mond
zal verwelken als gras
maar de nacht maar de nevel maar de volheid
zal verwelken als gras zal verwelken als gras

'Wird welken wie Gras' [1947], in: Friederike Mayröcker, Tod durch Musen. Poetische Texte, Luchterhand, Darmstadt en Neuwied, 1973 (vertaling Erik de Smedt)

vrijdag 18 oktober 2013

dinsdag 1 oktober 2013

'Kommt, ihr kleinen Krabben!' (G. Büchner)


‘Er was eens een arm kind, ’t had geen vader en geen moeder, die waren allemaal dood, en er was niemand meer op de wereld. Allemaal dood, en het is weggegaan en heeft gezocht, dag en nacht. En omdat er op aarde niemand meer was, wou het naar de hemel gaan, en de maan keek het zo lief aan; en toen het eindelijk bij de maan kwam, was het een stuk rot hout. En toen is het naar de zon gegaan en toen het bij de zon kwam, was het een verwelkte zonnebloem. En toen het bij de sterren kwam, waren het kleine gouden muggen, die waren opgeprikt zoals de negendoder ze op de sleedoorns prikt. En toen het weer naar de aarde wou, was de aarde een omgevallen pispot. En het was helemaal alleen. En toen is het gaan zitten en heeft gehuild, en daar zit het nog en is helemaal alleen.’

‘Antisprookje’ van de grootmoeder uit het toneelstuk Woyzeck (1836) van Georg Büchner (geb. 17-10-1813 – gest. 19-2-1837), vert. Erik de Smedt.