zaterdag 12 mei 2012

vrijdag 23 maart 2012

Thuisloos

Sinds het midden van de jaren negentig lijdt de vader van de Oostenrijkse schrijver Arno Geiger (*1968) aan de ziekte van Alzheimer. Aanvankelijk denken de kinderen dat hun vader, die altijd al eigenzinnig was, zich laat gaan. Ze reageren onbegrijpend, zelfs kwaad. Pas als de diagnose duidelijk is, beseffen ze dat verwijten niet de juiste reactie zijn. Hij wordt eerst thuis verzorgd door familieleden. Als dit te zwaar wordt komt er externe hulp. Weer enkele jaren later moet de vader naar een instelling. Dit voor de betrokkene en de naasten pijnlijke proces van aftakeling en desoriëntatie wordt door Geiger minutieus opgetekend in een mooi geschreven verslag dat geen literatuur wil zijn – daarvoor is het te zeer gebaseerd op ware feiten – maar er onwillekeurig toch trekjes van krijgt.

De auteur beseft dat hij niet over zijn vader kan schrijven zonder zichzelf erbij te betrekken. Lange tijd hadden ze geen goede relatie. Vooral de neiging van zijn vader om zich in de cocon van zijn geregelde bestaan in te kapselen, zat de avontuurlijker aangelegde zoon dwars. Het ontbrak August niet aan ondernemingszin; zo bouwde hij als gemeenteambtenaar van boerenafkomst in de jaren vijftig zijn eigen huis, dat hij met de groei van zijn gezin ook steeds uitbreidde. Maar hij vertikte het zijn dorp in Vorarlberg te verlaten, zelfs voor een huwelijksreis. Ondanks de kinderen blijkt dat huwelijk trouwens al gauw een mislukking, omdat de echtgenoten te zeer verschillen. Zijn vijftien jaar jongere vrouw verlaat hem dan ook als hij al zeventig is, iets wat de man van vaste principes niet kan verkroppen.

Paradoxaal genoeg brengt de verwijdering die gepaard gaat met de dementie vader en zoon dichter bij elkaar. Arno ontdekt dat zij beiden kampen met het onvermogen om gevoelens mee te delen. Nu de vader als een koning in ballingschap in zijn eigen omgeving dwaalt en ook thuis steeds op zoek is naar een huis, beseft de zoon dat het beter is zoveel mogelijk mee te gaan in het leven in de fictie waarin hij is verzeild. De gedesoriënteerde bevestigen is beter dan hem te corrigeren of te bevragen. De in de war geraakte werkelijkheid van de zieke laten gelden kan juist een brug zijn naar hem en de verdwaalde zich toch enigszins thuis doen voelen. ‘Wij leerden dat de schijnheiligheid van de waarheid soms het ergste is.’

Scènes uit het heden, die vaak iets tragikomisch hebben (zonder dat de harde woorden en de agressiviteit die bij de ziekte horen worden verdonkeremaand) wisselen af met herinneringen van de zoon aan zijn vaders afkomst, jeugd, oorlogsjaren vol ontbering en het naoorlogse bestaan. Elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door cursief gedrukte dialogen, die vooral indruk maken door de berusting en zelfs iets als instemming waarmee de vader zijn ziekte aanvaardt. Ook in de tekst worden vaak gespreksflarden aangehaald. ‘Een en ander is bij me stukgegaan, dat weet ik. Maar ik heb het niet meer nodig.’ Of nog: ‘Het leven is zonder problemen ook niet makkelijker.’

Der alte König in seinem Exil toont het toenemende begrip voor de ander, hoezeer hij zich ook uit de ‘normale’ prestatiegerichte mensenwereld verwijdert. Er ontstaat zelfs een nieuwe vriendschap tussen vader en zoon, waarbij de eerste grootmenselijk is in zijn positieve ingesteldheid en de laatste nog veel van de eerste leert. De dementie brengt het leven terug tot het elementaire. Arno Geiger ziet er een spiegel in van de fundamentele angst en de hulpconstructies waarmee ook gezonde mensen het verwarrende van de wereld om hen heen te lijf gaan. Hij is zijn vader dankbaar dat hij zijn kinderen leert wat het betekent oud en ziek te zijn, en hoe belangrijk het is de ogen niet te sluiten voor de feiten.

Toch is dit boek niet helemaal geslaagd. De opbouw is erg grillig, wat vooral stoort wanneer er tussen alinea’s plotseling van onderwerp wordt veranderd. Een beetje geforceerd is de neiging van de auteur om het concrete gebeuren te verbinden met algemene maatschappelijke en historische ontwikkelingen. En overbodig, omdat ze de authenticiteit doorbreken en het onopgesmukte waarmee de tranches de vie worden verteld, zijn de nadrukkelijke literaire vergelijkingen van de vader met personages van Thomas Bernhard en Samuel Beckett – alsof die het belang van het onderwerp moeten legitimeren. Ergens verwijst Geiger naar de uitspraak van Derrida dat men altijd om vergiffenis vraagt als men schrijft. Mag je het een schrijver die zo dicht blijft bij confronterende eigen belevenissen en ervaringen kwalijk nemen dat zijn relaas niet altijd toonvast is?


Arno Geiger, Der alte König in seinem Exil, Carl Hanser Verlag, 2011, 188 blz. Onlangs verscheen de Nederlandse vertaling (vert. W. Hansen) met een wat huiselijker titel en een romantischer omslag De oude koning in zijn rijk bij De Bezige Bij.

zondag 19 februari 2012

vrijdag 3 februari 2012

Lichtmis


Twee februari. Maria-Lichtmis. Aan de KU Leuven, de Sedes Sapientiae, worden eredoctoraten uitgereikt. Ik heb er niets mee en evenmin met het katholieke kaarsenfeest. Maar ik denk aan een van de kortste gedichten van Paul van Ostaijen, eentje dat je gemakkelijk onthoudt en als een westerse mantra inwendig kunt opzeggen. Als vorm van meditatie op een te drukke plek.

GEDICHT

Is het Lichtmis licht mist
op het dorp keer om de kom

Geen interpunctie, die breng je zelf aan als je er behoefte aan hebt. Geef je proefpersonen die opdracht, dan zal het resultaat vermoedelijk uiteenlopen. Vormen de eerste drie woorden een bijzin van tijd of zijn ze een vraag? Enjamberen zullen de meesten wel, maar komt er dan een punt achter dorp? Of is het tweede vers een zin op zich? In plaats van interpunctie hanteert Van Ostaijen twee keer extra spaties, een ode aan de zeggingskracht van het afzonderlijke woord. Een deconstructie van de naam van het kerkelijke feest, met een -t die er zomaar bijgehaald lijkt en toch, na die onscherpe ‘i’ een regelmaat met de -t van licht vormt, alsof Lichtmis niets anders kan genereren.

Als je het gedicht hoort, voel je de neiging, ook al door de plaatsing in de zin, om licht als werkwoord te lezen. Misschien zelfs niet zozeer als op- of bijlichten, maar als een variant van ‘hangen’: er ligt mist op het dorp, een homofoon. De isolering van de twee woorden maakt ze los uit een begrijpelijk verband. De klaarte van het licht wordt een nevelvlek. Is misschien ook ‘mist’ een werkwoord, iets wat ontbreekt? Iets wat zich vergist? De lezer grijpt ernaast en staart zich blind op de ruimte waar geen letters staan. Wit licht het licht erdoor op.

Vijf lichte i’s in het eerste vers, vier doffe o’s in het tweede. Van het ideële feest, een willekeurige inkeping in de kalender, het ijle van licht en mist, naar het vertrouwde, het dorp. En daar een alledaagse handeling, geformuleerd als bevel – tegen een ander? tegen zichzelf? Keer om de kom, als de teil na de reiniging? Onwillekeurig klitten ‘dorp’ en ‘kom’ ook samen. De dorpskom, het meest vertrouwde, op zijn kop? Of: keer terug op je stappen, in een cirkel?

Een wolk van niet weten, op ‘Lichtmis’ na verwoord in elementaire, eenlettergrepige woorden. Noch doctoraal, noch dada. Een in het metafysische geankerd spel met woorden. Het vervuld zijn door het onzegbare. ‘De resonantie van het woord in het onderbewustzijn, - resonantie die naar de oppervlakte te voeren mij de feitelijk lyrische taak schijnt - zij ligt tussen de zin [= betekenis] en de klankwaarde.’ (P.v.O.)

Een mantra verklaar je niet. Je zegt hem.


P.S. In het gedicht horen in de eerste regel extra spaties voor 'licht' en 'mist' te staan. Blogger heeft helaas geen oog voor dergelijke subtiliteiten.

zondag 1 januari 2012

Bij wijze van nieuwjaarswens



reis

naar het zachte vuurland
van de lente, mijn dal,
dat ons mild verwarmt
en voor onze wensen knoppen
opent; door de zomer
verder, vol zomersproeten de
weide, en daar kleven we,
hart aan hart als hars; in de half-
schaduw van de herfst-
middag, door je haar,
die onze woorden kleurt;
tot in een lapland van lip-
pen, daar waar zachtjes,
als vlokken, de sneeuw ons
drijft…

Reinhard Priessnitz (1945-1985), ‘reise’ in: vierundvierzig gedichte, edition neue texte, Linz 1986 (vert. Erik de Smedt)

zaterdag 24 december 2011

'Nachtonderkomen' (Bertolt Brecht)


Ik hoorde dat in New York
Op de hoek van de 26e straat en Broadway
Tijdens de wintermaanden elke avond een man staat
En de daklozen die daar verzamelen
Door geld te vragen aan voorbijgangers een nachtonderkomen verschaft.

De wereld wordt daardoor niet anders
De verhoudingen tussen de mensen worden niet beter
Het tijdperk van de uitbuiting wordt er niet door verkort.
Maar enkele mannen hebben een nachtonderkomen
De wind wordt een nacht lang ver van hen gehouden
De sneeuw die voor hen was bestemd valt op de straat.

Leg het boek niet neer, jij die dat leest, mens.

Enkele mensen hebben een nachtonderkomen
De wind wordt een nacht lang ver van hen gehouden
De sneeuw die voor hen was bestemd valt op de straat.
Maar de wereld wordt daardoor niet anders
De verhoudingen tussen de mensen worden er niet beter door
Het tijdperk van de uitbuiting wordt er niet door verkort.


Bertolt Brecht, ‘Die Nachtlager’ in: Gedichte 4. Gedichte und Gedichtfragmente 1928-1939 (Werke. Große kommentierte Berliner und Frankfurter Ausgabe, Bd. 14), Aufbau-Verlag/Suhrkamp Verlag, Berlin/Frankfurt a.M. 1993 (vert. Erik de Smedt)

zaterdag 17 december 2011

Biechten (Anamnese, 8)


In H. kun je in herberg Sint-Petrus een kop koffie drinken en een appelvlaaitje eten, gezeten aan een tafeltje vlak voor een biechtstoel. Verderop in de horecagelegenheid preekt een pastoor op de kansel, als beeld weliswaar. Hier en daar staat nog een heiligenbeeld, in een nis zelfs een monstrans. Recyclage van het rijke Roomse leven. (Ooit zag ik in een antiquariaat in W. oude kazuifels en stola’s in haast industriële hoeveelheden boven de rekken met oude boeken hangen. Dat leek me griezeliger: in wat voor een zwarte mis zouden ze dienstig zijn?)

Het rijke Roomse leven. Opgegroeid in de jaren 50 en 60 heb ik er de laatste bloei van meegemaakt. Wit zand, papiersnippers en rozenblaadjes op straat strooien toen de processie uitging. Kandelaars buiten op de vensterbank zetten, op een kleedje, een kruisbeeld in het midden. Een van mijn vroegste herinneringen: ik sta op de keukentafel, moeder bindt om mijn benen de rode linten van de sandalen en legt een schapenvacht over mijn schouder waarmee ik in de processie als Sint-Janneke zal figureren. De baldakijn waaronder de pastoor en de twee onderpastoors schreden, voorafgegaan door de misdienaars. De toeschouwers die een kruisteken slaan wanneer de stoet voorbijkomt. Of zelfs knielen.

In de kerk de Latijnse missen, de priester met de rug naar het volk. Het goud van het tabernakel, met die gecapitonneerde deurtjes als van een kluis. Aan de binnenkant smetteloos wit. Daarin staat de ciborie, de grote kelk met de gewijde hosties. De altaarschel die je als misdienaar op gepaste tijden mocht laten rinkelen. Mooi horizontaal houden en een beweging maken met je rechterhand alsof je een kraan open en meteen weer dichtdraait. De lange vettige lont waarmee je de kaarsen aan moest steken, moeilijker dan het leek. De kooltjes die branden in het wierookvat. De kruidige geur van het hars. Het korte getik van de vergulde kettingen wanneer de priester het wierookvat hanteert. De toortsen bij uitvaartmissen en op Goede Vrijdag. ‘Flambiekes’ noemde de koster ze. Hij speelde niet foutloos maar imposant op het orgel. Soms ook de Toccata en Fuga in d-moll van Johann Sebastian Bach – naast de bergen in Zwitserland je eerste indruk van het sublieme.

Op de kerkstoelen in de buurt van de biechtstoel ging je niet zitten, maar knielde je. Terwijl je wacht tot je aan de beurt bent, overloop je de tien geboden met hun merkwaardige mengeling van hoofd- en dagelijkse zonden. ‘Bovenal bemin één God.’ Erg abstract. Misschien hou je toch meer van je vriendjes en je familie. ‘Zweer niet ijdel, vloek noch spot.’ Bij dat eerste woord moet je altijd aan een etterbuil denken. ‘Heilig steeds de dag des Heren.’ Elke zondag naar de mis. ‘Vader, moeder zult gij eren.’ Niet altijd gemakkelijk, soms verwens je ze wel eens. ‘Dood niet, geef geen ergernis.’ Welke schooljongen zou nu dat eerste moeten biechten?’ Ergernis? Mmm, soms noemt moeder je ‘de nagel van haar doodkist’. Zeker zeggen dus. ‘Doe nooit wat onkuisheid is.’ Elders heet dat ‘vuile manieren’. Kan ik dat niet overslaan? ‘Mijd de achterklap en ’t liegen. Ook het stelen en bedriegen.’ ‘Wees steeds kuis in uw gemoed’ – oei, dat gaat ver: zijn gedachten niet vrij? – ‘en begeer nooit iemands goed.’ Van dat laatste heb je gelukkig weinig last.

Je maakte een acceptabel lijstje. Niet te weinig, dat zou hoogmoedig (zei men toen nog hovaardig?) en vals overkomen, niet te veel. (Zoveel zelfbewustzijn had je wel, de pastoor moest niet alles weten en te veel penitentie was hinderlijk). Gestommel, het dieprode gordijn gaat opzij. Jouw beurt om plaats te nemen. Duisternis die pas langzaam opklaart. Het donkerhouten deurtje is nog gesloten. Je hoort aan de andere kant slechts hortend spreken, vervolgens de lage stem van de priester, routineus. Het deurtje aan de andere kant gaat dicht, het jouwe open. Het spreekrooster, tussen de gaatjes is de biechtvader net herkenbaar. Hij legt zijn oor te luisteren. ‘Eerwaarde vader, mijn laatste biecht is zes weken geleden. Ik heb vijf keer …’ en dan werk je het voorbereide lijstje af. Het grote rozige oor luistert, beweegt soms lichtjes op en neer als schaamde het zich in jouw plaats, als begreep het wat je zei. Spreken doet de biechtvader niet voor je klaar bent. Dan volgt een vermaning, zalvend iets over de zondige mens die van God altijd weer de kans krijgt om zich te bekeren. ‘Bid als penitentie drie Onzevaders en vier Weesgegroeten.’ Opluchting.

Meestal spreekt de biechtvader niet voor je klaar bent. Behalve als je zegt: ‘Ik ben drie keer onkuis geweest.’ Dan vraagt hij: ‘Alleen of met anderen?’, ‘Hoe dikwijls?’ en soms zelfs ‘Hoe?’ Dan wordt de biechtstoel, waar het harde hout je knieën pijn doet, eng.

De slachtoffers van misbruik in de R.-K. Kerk gisteren in het praatprogramma over het rapport van de commissie-Deetman zagen er na twintig, dertig jaar nog steeds gekweld uit. Alsof hun gezicht gekreukeld was. Hun stem aarzelde, maar hun verontwaardiging haalde het. Bij de moderator zaten een aartsbisschop en de overste van de orde waar het misbruik het ergst geweest is. Dat het een taboe geweest was, zeiden ze. Dat er niet over werd gepraat. Dat mensen denken dat de kerk een centralistisch instituut is waar men alles over elkaar weet, maar dat dit niet het geval was. Dat men nu onmiddellijk zou ingrijpen. Dat men er vroeger geen weet van had. Of dat het een andere overste, in het buitenland, was die je om raad vroeg. Bij misbruik waar geen kinderen bij waren betrokken. Dat je toen moeilijk aangifte kon doen, want je was nog in opleiding.

Of deze twee mensen hun verantwoordelijkheid wilden nemen, vroeg de moderator. Er volgde gedraal en gekronkel van woorden. Ik kon niet anders dan de tv uitzetten.

zaterdag 10 december 2011

Het spiegelstadium voorbij

















Zonder titel van Marijn van Kreij, tentoonstelling The Company of Humour, Lokaal 01, Breda (tot 18 december 2011)

maandag 21 november 2011

'Moederliefde' (Heinrich von Kleist)


Te Saint-Omer in het noorden van Frankrijk deed zich in 1803 een opmerkelijke gebeurtenis voor. Een grote dolle hond, die al meer mensen schade had toegebracht, viel twee kinderen aan die bij een voordeur aan het spelen waren. Net verscheurt hij het jongste dat onder zijn klauwen in het bloed rolt, of daar verschijnt uit een zijstraat, met een emmer water die zij op haar hoofd draagt, de moeder. Terwijl de hond de kinderen loslaat en naar haar toespringt, zet zij de emmer water op de grond; niet in staat om te vluchten, vastbesloten het monster tenminste door eigen toedoen uit te schakelen, omknelt zij de hond met van woede en wraak gestaalde ledematen; zij verwurgt hem en valt, haar vlees in stukken gescheurd door zijn felle beten, bewusteloos naast hem neer. De vrouw begroef haar kinderen nog en werd weinige dagen later, toen ze aan hondsdolheid was gestorven, zelf bij hen in het graf gelegd.

Heinrich von Kleist (geb. 18-10-1777, gest. 21-11-1811), ‘Mutterliebe’, aus den Berliner Abendblättern [7. Abendblatt vom 9. Januar 1811], in: Sämtliche Werke, Deutsche Buch-Gemeinschaft, Berlin 1964 (vert. Erik de Smedt)

Afb.: Anselm Reyle, Venus (2011), Lustwarande ’11, Tilburg