donderdag 23 januari 2014
zondag 29 december 2013
Helga M. Novak (1935-2013)
het lijkt wel of ik
het vliegen heb verleerd
kan niet opstijgen niet vallen
vleugellam
zit ik daar en broed
liefdesverklaringen uit
terwijl er toch heel wat vogels bestaan
die nooit van de aarde loskomen
en springen en paraderen
met opgezette veren
door het wuivende gras
ik ben vandaag een meerkoet
en zoek je in het riet
waar je ongetwijfeld
met je vele zwarte haren
verstrikt bent geraakt
denk maar niet dat ik je losmaak
Helga M. Novak, 'kann nicht steigen nicht fallen' in: Liebesgedichte, Schöffling & Co., Frankfurt a.M., 2010 (vertaling Erik de Smedt)
zaterdag 14 december 2013
donderdag 21 november 2013
vrijdag 1 november 2013
'Zal verwelken als gras' (Friederike Mayröcker)
Zal verwelken als gras
ook mijn hand en de pupil
zal verwelken als gras
mijn voet en mijn haar mijn stilste woord
zal verwelken als gras
je mond je mond
zal verwelken als gras
je kijken in mij
zal verwelken als gras
mijn wang mijn wang en de kleine bloem
waarvan je weet zal verwelken als gras
zal verwelken als gras
je mond je purperkleurige mond
zal verwelken als gras
maar de nacht maar de nevel maar de volheid
zal verwelken als gras zal verwelken als gras
'Wird welken wie Gras' [1947], in: Friederike Mayröcker, Tod durch Musen. Poetische Texte, Luchterhand, Darmstadt en Neuwied, 1973 (vertaling Erik de Smedt)
vrijdag 18 oktober 2013
dinsdag 1 oktober 2013
'Kommt, ihr kleinen Krabben!' (G. Büchner)
‘Er was eens een arm kind, ’t had geen vader en geen moeder, die waren allemaal dood, en er was niemand meer op de wereld. Allemaal dood, en het is weggegaan en heeft gezocht, dag en nacht. En omdat er op aarde niemand meer was, wou het naar de hemel gaan, en de maan keek het zo lief aan; en toen het eindelijk bij de maan kwam, was het een stuk rot hout. En toen is het naar de zon gegaan en toen het bij de zon kwam, was het een verwelkte zonnebloem. En toen het bij de sterren kwam, waren het kleine gouden muggen, die waren opgeprikt zoals de negendoder ze op de sleedoorns prikt. En toen het weer naar de aarde wou, was de aarde een omgevallen pispot. En het was helemaal alleen. En toen is het gaan zitten en heeft gehuild, en daar zit het nog en is helemaal alleen.’
‘Antisprookje’ van de grootmoeder uit het toneelstuk Woyzeck (1836) van Georg Büchner (geb. 17-10-1813 – gest. 19-2-1837), vert. Erik de Smedt.
vrijdag 6 september 2013
zaterdag 10 augustus 2013
Monoloog
kan
ik
als
hond
in
de
wolken
zijn
ik straatloper
geurzoeker
mensenvriend
ik boomgieter
nevelsproeier
ruitenlikker
ik achterblijver
spiegel-
verkeerd
mijn derrière
ik
voyeur
achter
tralies
van
glas
ik
als
hond
in
de
wolken
zijn
ik straatloper
geurzoeker
mensenvriend
ik boomgieter
nevelsproeier
ruitenlikker
ik achterblijver
spiegel-
verkeerd
mijn derrière
ik
voyeur
achter
tralies
van
glas
woensdag 17 juli 2013
Abonneren op:
Reacties (Atom)












