maandag 13 april 2015

Günter Grass (1927-2015)













Troost voor Anna


Wees niet bang.
Zolang het regent,
zal niemand merken
dat je poppen huilen.

Wees niet bang.
Ik heb de revolver onder curatele gesteld,
al het lood is van ons,
we konden de klok ermee vullen.

Wees niet bang.
Ik zal de geluiden vangen,
in doosjes opsluiten
en naar de post brengen.

Wees niet bang.
Ik heb onze namen gecamoufleerd.
Niemand hoeft te weten hoe we elkaar noemen
wanneer we elkaar roepen.

'Zuspruch für Anna', in: Günter Grass, Werkausgabe, Band 1: Gedichte und Kurzprosa, Steidl, Göttingen, 1997 (vert. Erik de Smedt
)

maandag 6 april 2015

Uecker
















Over het zwijgen
van het schrift of
De sprakeloosheid


Manuele structuren,,,,,,,,,, reeksen,,,,,
gevormd door strepen,,,,,,,,,,,,,,, punten
of puntkomma's…………………......
………….. De herhaling van hetzelfde
wanneer het zich ontwikkelt tot veld…..
……………. De kwantiteit van het veld
wordt een optische kwaliteit,,,,,,,,,,,,,,
waar het afzonderlijke in het geheel
opgaat en zich verliest
in de onverschillige,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,
onhiërarchische volgorde van hetzelfde
en toch niet hetzelfde…………………....
Door de ontoereikendheid van wie
schrijft --------------------------------
zijn neiging tot fouten-,-,-,-,-,-,-
een zelf opgelegd principe te volgen
en te mislukken,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,
ontstaan afwijkingen van hetzelfde
;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;
de ongelijkheden te vergelijken…
psychische processen worden
psychogrammen,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,
worden door innerlijk beleefbare
relaties zo met elkaar verbonden,,,,
dat ze een geheel vormen…......


‘Zum Schweigen der Schrift oder
Die Sprachlosigkeit‘ (1974/75)
(vert. Erik de Smedt)

Afb.: Günther Uecker, Zwischen Hell und Dunkel (1983)
Spijkers, acryl op doek op hout (tweedelig)
Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen, Düsseldorf

Tentoonstelling 'Uecker', K20, t/m 10 mei 2015.

zaterdag 14 maart 2015

maandag 2 februari 2015

'sneeuwlied' (Reinhard Priessnitz)



sneeuwlied


spreekt mijn spiegel zich blind
dan zal zwerven de sneeuwval
de scherf van de hemel
de ader van de nacht
speelt zijn stem
dwarrelend in het riet
mijn rechter de spiegel
speelt zijn stem
hen en haan
dan wordt als het sneeuwt
het spreken een winter
maaier en zeis
het hart een vlok
dan wordt zijn stem
een ijzige band
zijn ijs een bloem
een glazen scherf
van kloppende nacht
dan zullen we broeden
witte haan witte hen
onder sneeuwval en sneeuwval
dan zullen we zwerven
mijn sprekende spiegel
vriezende vragen
in de vallende droom

Reinhard Priessnitz (1945-1985), ‘schneelied’, in: vierundvierzig gedichte, edition neue texte, Linz-Wien, 1986 (vert. Erik de Smedt)

donderdag 29 januari 2015

'bibliotheek' (Ernst Jandl)

















bibliotheek


al die letters
die niet uit hun woorden raken

al die woorden
die niet uit hun zinnen raken

al die zinnen
die niet uit hun teksten raken

al die teksten
die niet uit hun boeken raken

al die boeken
met al dat stof erop

de goede werkster
met de stofkwast


'bibliothek', uit: Ernst Jandl, die bearbeitung der mütze, Luchterhand, Darmstadt, 1978 (vertaling Erik de Smedt)

woensdag 24 december 2014

'Mensen ontmoet ' (G. Benn)


MENSEN ONTMOET

Ik heb mensen ontmoet die,
als men hen naar hun naam vroeg,
schuchter – alsof ze er helemaal geen aanspraak op konden maken
ook nog een naam te hebben –
'juffrouw Christian' antwoordden en vervolgens:
'zoals de voornaam', ze wilden het iemand gemakkelijk maken,
geen moeilijke naam als 'Popiol' of 'Babendererde' –
'zoals de voornaam' – belast uw herinneringsvermogen alstublieft
niet!

Ik heb mensen ontmoet die
met hun ouders en vier broers en zussen in één kamer
opgroeiden, 's nachts, met hun vingers in de oren,
bij het fornuis zaten te leren,
hogerop kwamen, uiterlijk mooi en ladylike als gravinnen –
en innerlijk zacht en vlijtig als Nausikäa,
het zuivere voorhoofd van engelen droegen.

Ik heb me vaak afgevraagd en geen antwoord gevonden
waar het zachte en goede vandaan komt,
weet het ook vandaag niet en moet nu gaan.

Gottfried Benn, 'Menschen getroffen', vert. Erik de Smedt (foto: kerststal in Zondereigen)

zaterdag 8 november 2014

zaterdag 1 november 2014

Sterfbed (Anamnese, 9)


Uit een dagboek, 1995


Zaterdag 14/1. Samen met T. op bezoek bij mama in het ziekenhuis, waar ze sinds dinsdagavond 3/1 ligt. Vocht op de longen, de diuretica helpen niet goed, en daarbij nog uitzaaiingen in de longen. Zonder zuurstof wordt ze snel weer kortademig. De moeheid neemt elke dag toe, ze slaapt ook slecht. Woensdag heeft ze de ziekenzalving gekregen: ‘Nu ben ik helemaal klaar.’ Voordien was ze nog zelf van zaal 284 naar de eenpersoonskamer 283 verhuisd. De dokter zei: ‘We kunnen niet veel voor uw moeder doen.’

Ze is er veel slechter aan toe dan gisteren, sluimert altijd weer in, spreekt moeilijk. Haar bruine ogen zijn hun kracht kwijt en ze is mager. Haar poetsvrouw is op bezoek. Ze heeft geluk gehad die laatste jaren, met al die mensen die om haar gaven. Als ze spreekt, gis ik hardop wat ze zou kunnen zeggen. Ze knikt als het juist is. Af en toe hou ik haar warme hand vast. Moeizaam versta ik wat ze zegt: iets over juwelen op de slaapkamer, over mensen uit de buurt om na de uitvaartmis mee te vragen. Eten wil ze niet meer.

Gisteren heeft ze tegen E. gezegd: ‘Bid en vraag onze lieve Heer dat hij voor best doet.’ Enkele dagen geleden: ‘Ik hoop dat het niet te lang duurt.’ Ze heeft altijd gezegd: ‘Ik zou niet graag plotseling sterven, maar alleen een paar dagen ziek zijn.’ Als ik de kamer uitga, kijk ik nog eens naar haar: ze zit mooi rechtop en kijkt als het ware ontspannen.

Zondag 15/1. Alleen bij mama, die nu in bed ligt en bijna de hele tijd slaapt. Ze herkent me gelukkig nog als ik bij haar kom, prevelt met zwaardere stem dan anders 'Ejik'. Haar ogen doet ze maar half meer open, er ligt een waas over. Spreken kan ze nog nauwelijks. Volgens de verpleegster heeft ze alleen nog wat soep gedronken, maar verder drinkt ze haast niets meer, kan ook niet plassen, hoewel ze vocht krijgt toegediend. ‘Ze gaat erg achteruit.’

Ik zit bij haar aan bed, lees wat, hou haar hand vast, hoor haar ademen met licht geopende mond. Twee verplegers komen haar wat meer overeind zetten. Om vijf uur laat ik haar uit een plastieken beker een beetje lindethee drinken waar ze gisteren om heeft gevraagd, maar ik ben bang dat ze zich verslikt.

Ik schrijf


Da capo

Bij jou,
zoals het was
in het begin.

Je voelt me
maar je ziet me niet.

Ik hoor je
ademen,
zwaar.

De weeën
voor je nieuwe
geboorte.