zondag 1 januari 2012

Bij wijze van nieuwjaarswens



reis

naar het zachte vuurland
van de lente, mijn dal,
dat ons mild verwarmt
en voor onze wensen knoppen
opent; door de zomer
verder, vol zomersproeten de
weide, en daar kleven we,
hart aan hart als hars; in de half-
schaduw van de herfst-
middag, door je haar,
die onze woorden kleurt;
tot in een lapland van lip-
pen, daar waar zachtjes,
als vlokken, de sneeuw ons
drijft…

Reinhard Priessnitz (1945-1985), ‘reise’ in: vierundvierzig gedichte, edition neue texte, Linz 1986 (vert. Erik de Smedt)

zaterdag 24 december 2011

'Nachtonderkomen' (Bertolt Brecht)


Ik hoorde dat in New York
Op de hoek van de 26e straat en Broadway
Tijdens de wintermaanden elke avond een man staat
En de daklozen die daar verzamelen
Door geld te vragen aan voorbijgangers een nachtonderkomen verschaft.

De wereld wordt daardoor niet anders
De verhoudingen tussen de mensen worden niet beter
Het tijdperk van de uitbuiting wordt er niet door verkort.
Maar enkele mannen hebben een nachtonderkomen
De wind wordt een nacht lang ver van hen gehouden
De sneeuw die voor hen was bestemd valt op de straat.

Leg het boek niet neer, jij die dat leest, mens.

Enkele mensen hebben een nachtonderkomen
De wind wordt een nacht lang ver van hen gehouden
De sneeuw die voor hen was bestemd valt op de straat.
Maar de wereld wordt daardoor niet anders
De verhoudingen tussen de mensen worden er niet beter door
Het tijdperk van de uitbuiting wordt er niet door verkort.


Bertolt Brecht, ‘Die Nachtlager’ in: Gedichte 4. Gedichte und Gedichtfragmente 1928-1939 (Werke. Große kommentierte Berliner und Frankfurter Ausgabe, Bd. 14), Aufbau-Verlag/Suhrkamp Verlag, Berlin/Frankfurt a.M. 1993 (vert. Erik de Smedt)

zaterdag 17 december 2011

Biechten (Anamnese, 8)


In H. kun je in herberg Sint-Petrus een kop koffie drinken en een appelvlaaitje eten, gezeten aan een tafeltje vlak voor een biechtstoel. Verderop in de horecagelegenheid preekt een pastoor op de kansel, als beeld weliswaar. Hier en daar staat nog een heiligenbeeld, in een nis zelfs een monstrans. Recyclage van het rijke Roomse leven. (Ooit zag ik in een antiquariaat in W. oude kazuifels en stola’s in haast industriële hoeveelheden boven de rekken met oude boeken hangen. Dat leek me griezeliger: in wat voor een zwarte mis zouden ze dienstig zijn?)

Het rijke Roomse leven. Opgegroeid in de jaren 50 en 60 heb ik er de laatste bloei van meegemaakt. Wit zand, papiersnippers en rozenblaadjes op straat strooien toen de processie uitging. Kandelaars buiten op de vensterbank zetten, op een kleedje, een kruisbeeld in het midden. Een van mijn vroegste herinneringen: ik sta op de keukentafel, moeder bindt om mijn benen de rode linten van de sandalen en legt een schapenvacht over mijn schouder waarmee ik in de processie als Sint-Janneke zal figureren. De baldakijn waaronder de pastoor en de twee onderpastoors schreden, voorafgegaan door de misdienaars. De toeschouwers die een kruisteken slaan wanneer de stoet voorbijkomt. Of zelfs knielen.

In de kerk de Latijnse missen, de priester met de rug naar het volk. Het goud van het tabernakel, met die gecapitonneerde deurtjes als van een kluis. Aan de binnenkant smetteloos wit. Daarin staat de ciborie, de grote kelk met de gewijde hosties. De altaarschel die je als misdienaar op gepaste tijden mocht laten rinkelen. Mooi horizontaal houden en een beweging maken met je rechterhand alsof je een kraan open en meteen weer dichtdraait. De lange vettige lont waarmee je de kaarsen aan moest steken, moeilijker dan het leek. De kooltjes die branden in het wierookvat. De kruidige geur van het hars. Het korte getik van de vergulde kettingen wanneer de priester het wierookvat hanteert. De toortsen bij uitvaartmissen en op Goede Vrijdag. ‘Flambiekes’ noemde de koster ze. Hij speelde niet foutloos maar imposant op het orgel. Soms ook de Toccata en Fuga in d-moll van Johann Sebastian Bach – naast de bergen in Zwitserland je eerste indruk van het sublieme.

Op de kerkstoelen in de buurt van de biechtstoel ging je niet zitten, maar knielde je. Terwijl je wacht tot je aan de beurt bent, overloop je de tien geboden met hun merkwaardige mengeling van hoofd- en dagelijkse zonden. ‘Bovenal bemin één God.’ Erg abstract. Misschien hou je toch meer van je vriendjes en je familie. ‘Zweer niet ijdel, vloek noch spot.’ Bij dat eerste woord moet je altijd aan een etterbuil denken. ‘Heilig steeds de dag des Heren.’ Elke zondag naar de mis. ‘Vader, moeder zult gij eren.’ Niet altijd gemakkelijk, soms verwens je ze wel eens. ‘Dood niet, geef geen ergernis.’ Welke schooljongen zou nu dat eerste moeten biechten?’ Ergernis? Mmm, soms noemt moeder je ‘de nagel van haar doodkist’. Zeker zeggen dus. ‘Doe nooit wat onkuisheid is.’ Elders heet dat ‘vuile manieren’. Kan ik dat niet overslaan? ‘Mijd de achterklap en ’t liegen. Ook het stelen en bedriegen.’ ‘Wees steeds kuis in uw gemoed’ – oei, dat gaat ver: zijn gedachten niet vrij? – ‘en begeer nooit iemands goed.’ Van dat laatste heb je gelukkig weinig last.

Je maakte een acceptabel lijstje. Niet te weinig, dat zou hoogmoedig (zei men toen nog hovaardig?) en vals overkomen, niet te veel. (Zoveel zelfbewustzijn had je wel, de pastoor moest niet alles weten en te veel penitentie was hinderlijk). Gestommel, het dieprode gordijn gaat opzij. Jouw beurt om plaats te nemen. Duisternis die pas langzaam opklaart. Het donkerhouten deurtje is nog gesloten. Je hoort aan de andere kant slechts hortend spreken, vervolgens de lage stem van de priester, routineus. Het deurtje aan de andere kant gaat dicht, het jouwe open. Het spreekrooster, tussen de gaatjes is de biechtvader net herkenbaar. Hij legt zijn oor te luisteren. ‘Eerwaarde vader, mijn laatste biecht is zes weken geleden. Ik heb vijf keer …’ en dan werk je het voorbereide lijstje af. Het grote rozige oor luistert, beweegt soms lichtjes op en neer als schaamde het zich in jouw plaats, als begreep het wat je zei. Spreken doet de biechtvader niet voor je klaar bent. Dan volgt een vermaning, zalvend iets over de zondige mens die van God altijd weer de kans krijgt om zich te bekeren. ‘Bid als penitentie drie Onzevaders en vier Weesgegroeten.’ Opluchting.

Meestal spreekt de biechtvader niet voor je klaar bent. Behalve als je zegt: ‘Ik ben drie keer onkuis geweest.’ Dan vraagt hij: ‘Alleen of met anderen?’, ‘Hoe dikwijls?’ en soms zelfs ‘Hoe?’ Dan wordt de biechtstoel, waar het harde hout je knieën pijn doet, eng.

De slachtoffers van misbruik in de R.-K. Kerk gisteren in het praatprogramma over het rapport van de commissie-Deetman zagen er na twintig, dertig jaar nog steeds gekweld uit. Alsof hun gezicht gekreukeld was. Hun stem aarzelde, maar hun verontwaardiging haalde het. Bij de moderator zaten een aartsbisschop en de overste van de orde waar het misbruik het ergst geweest is. Dat het een taboe geweest was, zeiden ze. Dat er niet over werd gepraat. Dat mensen denken dat de kerk een centralistisch instituut is waar men alles over elkaar weet, maar dat dit niet het geval was. Dat men nu onmiddellijk zou ingrijpen. Dat men er vroeger geen weet van had. Of dat het een andere overste, in het buitenland, was die je om raad vroeg. Bij misbruik waar geen kinderen bij waren betrokken. Dat je toen moeilijk aangifte kon doen, want je was nog in opleiding.

Of deze twee mensen hun verantwoordelijkheid wilden nemen, vroeg de moderator. Er volgde gedraal en gekronkel van woorden. Ik kon niet anders dan de tv uitzetten.

zaterdag 10 december 2011

Het spiegelstadium voorbij

















Zonder titel van Marijn van Kreij, tentoonstelling The Company of Humour, Lokaal 01, Breda (tot 18 december 2011)

maandag 21 november 2011

'Moederliefde' (Heinrich von Kleist)


Te Saint-Omer in het noorden van Frankrijk deed zich in 1803 een opmerkelijke gebeurtenis voor. Een grote dolle hond, die al meer mensen schade had toegebracht, viel twee kinderen aan die bij een voordeur aan het spelen waren. Net verscheurt hij het jongste dat onder zijn klauwen in het bloed rolt, of daar verschijnt uit een zijstraat, met een emmer water die zij op haar hoofd draagt, de moeder. Terwijl de hond de kinderen loslaat en naar haar toespringt, zet zij de emmer water op de grond; niet in staat om te vluchten, vastbesloten het monster tenminste door eigen toedoen uit te schakelen, omknelt zij de hond met van woede en wraak gestaalde ledematen; zij verwurgt hem en valt, haar vlees in stukken gescheurd door zijn felle beten, bewusteloos naast hem neer. De vrouw begroef haar kinderen nog en werd weinige dagen later, toen ze aan hondsdolheid was gestorven, zelf bij hen in het graf gelegd.

Heinrich von Kleist (geb. 18-10-1777, gest. 21-11-1811), ‘Mutterliebe’, aus den Berliner Abendblättern [7. Abendblatt vom 9. Januar 1811], in: Sämtliche Werke, Deutsche Buch-Gemeinschaft, Berlin 1964 (vert. Erik de Smedt)

Afb.: Anselm Reyle, Venus (2011), Lustwarande ’11, Tilburg

donderdag 10 november 2011

Standje



Wanneer ik een sequioa tegenkom, kan ik het niet nalaten de handpalm op zijn bast te leggen. Ook nu weer: zacht als een hondenpels, licht verend.

Er komt een wandelaar langs. Hij zegt: ‘Dao moete nie tegen daauwe, want die krijgde nie om zunne!’

woensdag 2 november 2011

Memento mori (Anamnese, 7)


Uit een dagboek, 1992

[...]

12-8 (woensdag) Papa ligt nu bijna de hele tijd te bed. Zijn mond is nog meer ingevallen, maar af en toe praat hij nog terwijl hij je met ingespannen blik aankijkt. Het spreken gaat trager, hij moet langer naar zijn woorden zoeken, maar anders dan zondag vormt hij zinnen, soms zelfs lange. Over zijn ziekte en hoe hij het verwerkt: "Piekeren doe ik wel. Papa De Smedt had dat ook, hij was neurastheniek." Hij is erg bezig met doodgaan. "Hoe moet ik sterven? Iedereen zegt: ge moet berusten. Maar als ik dat doe, niet meer eet, dan ga ik dood. Dat kan toch niet?" Aan het tafeltje waar hij met mondjesmaat zijn soep binnenlepelt: "Zijn dan alle mensen die dood zijn, zelfmoordenaars? Ik begrijp dat niet."

Hij zegt ook dat hij tevreden is thuis te kunnen sterven. Over kanker: "Ik ben zeven jaar geleden geopereerd aan de blaas. Kanker. Kanker is een luxeziekte (i.v.m. het geneesmiddel van over de 3000 frank)." Ik: "Ge hebt toch nog een schoon leven gehad, 80 jaar geworden." Hij zegt kort: "Ja." "Bijna 81." Ik: "Zijt ge bang om te sterven?" Hij: "Niet zo." Ik: "Iedereen moet sterven." Hij: "Ja, maar het is toch niet gemakkelijk. De mens is gemaakt om te leven, hij is niet gemaakt voor ongevallen."

Tegen de middag is zijn vroegere verpleegster Ellie van het Wit-Gele Kruis hem komen bezoeken. Ze zegt tegen mama: "Mevrouw, met permissie, ge hebt een autoritaire man gehad."Tegen hem: "Gij zijt directeur geweest, maar nu zijn wij de baas. Ge moet u door ons laten verzorgen." 's Middags zegt mama aan tafel: "Afscheid nemen is nog moeilijker als ge oud zijt. Ge zijt mekaar zo gewoon, ge zijt zo lang bij mekaar geweest."

Rond 4 uur klaagt papa weer over pijn. Hij gaat zitten op de rand van het bed, ik geef hem het kleine morfinepilletje MS Contin en wat water. Hij slikt heel moeizaam, maar zegt: "Ik heb niets gevoeld." Ik: "Ge zult het wel binnen hebben." Hij zoekt tussen de lakens, zegt: "Kijk nog eens in mijn pantoffels." Dan vind ik het pilletje daarnaast, onder het bed. "Die morfine is voor mij een contradictio in terminis. Het dient om de pijn weg te nemen, maar ik krijg pijn als ik het moet nemen." Op het eind van ons gesprek: "We hebben er nu wel veel over gepraat, maar uiteindelijk helpt het niets en gaat ge dood." Ik: "Ja, dat is waar, maar zo is de tijd toch wat vlugger voorbijgegaan." Hij bedankt me.

's Avonds, als ik afscheid ga nemen, doet hij opgewonden over de verpleegster die hem elke dag zal komen wassen. "Alstublieft," smeekt hij ons, "doe me dat niet aan. Waarom zoudt ge iets door anderen laten doen, wat ik nog zélf kan? Ik ben mijn eigen heer en meester! Ze mag niet komen. Alstublieft! Ik zal u eeuwig dankbaar zijn!" Ook: "Ik bedank u heel heel hartelijk."

14-8 (vrijdag) Telefoontje met mama. Papa had gelukkig eens een kalme nacht. (De andere nachten stond hij wel 20 keer op.) Hij heeft zich niet door de verpleegster willen laten wassen. Ze is twintig minuten bij hem gebleven, tevergeefs. Dr. Seghers was geweest: middel tegen droge mond voorgeschreven, polsslag goed, bloeddruk 14/7. Veertien dagen? Twee dagen? Donderdagavond had papa haar in de badkamer wel tien kussen gegeven en wenend vergeving gevraagd voor al wat hij haar in die 49 jaar had misdaan. Ze heeft gezegd: "Maar ge hebt gij mij niets misdaan. Ge zijt de beste man geweest die ik had kunnen hebben."

Hij heeft haar laten opschrijven wat hij elke dag gegeten had en heeft zelf voor die avond opgeschreven: 'Yoghurt met bruine suiker bovenop.' "Als ik nog goed eet 14 dagen." "De hoeveelste zijn we vandaag?" Mama: "De dertiende." Hij: "Ha ja, zondag was het de negende. Nog een dag of drie, vier."

Verpleegster Ellie is op bezoek geweest met een rijsttaartje dat mevrouw Stijnen van de bakkerij voor hem had meegegeven. Hij heeft er 's avonds een stukje van gegeten. 's Nachts liet hij mama een briefje ondertekenen: "We aanvaarden het voorstel van mevrouw Stijnen om ons 2 keer per dag eten te bezorgen niet." Hij praat 's nachts nog met enkele woorden over de bank. Mama zegt dat alles in orde is. Hij: "Al het geld is voor u."

15-8 (zaterdag) Papa is nu sukkelachtig. Hij staat nog nauwelijks op, behoefte doen wordt een probleem. Hij heeft zich vanmorgen zonder enig verzet door de verpleegster laten wassen. Straks brengt ze nog pampers. Hij ligt met open mond naar het plafond te staren. Zijn ogen zijn nu doffer. Zijn gebit en zijn hoorapparaatje liggen op het nachtkastje. Ik: "Dag papa, herkent ge mij nog?" Hij knikt en zegt moeizaam: "Ejik." Hij lijkt al veel verder weg. Na de middag roept hij iets als "Bajo bajo bajo", mama gaat kijken en helpt hem, hij herhaalt (zingt) het wel dertig keer.

Ik doe de afwas, mama slaapt wat. Ze is merkwaardig moedig en houdt zich sterk, buitengewoon praktisch, altijd klaar om te gaan als hij roept. Ze beeft erger dan vroeger. Op papa's bureautje ligt een folder van groep Omega, palliatieve thuiszorg. Het motto luidt: "Als gezonde mensen wat meer wilden nadenken over de dood, zouden ze wellicht meer genieten van het leven." Ik zit wat aan het bureautje, kijk wat in papa's papieren, allemaal mooi bijgehouden en geordend. Rond 4 uur ga ik een tijd bij hem zitten, hij zegt niets, staart naar het plafond, beweegt af en toe onrustig zijn achterhoofd in zijn kussen. Pijn heeft hij de laatste dagen niet meer, het morfinepilletje van woensdag was zijn laatste.

Tegen kwart voor zes ga ik weer naar boven, als ik hoor dat hij vraagt "Is Erik er nog?" Hij is nu na de verzorging wat levendiger, begint te praten, ik kniel bij hem aan het bed, probeer zo goed mogelijk te verstaan wat hij zegt. Eerst is het verward, iets over "afgesproken thuis', iedereen akkoord... en dan toch verpleegsters... Ik begrijp het niet". Dan over zijn overlijdensbericht: "Heden is van ons heengegaan... André De Smedt... Dit melden u... Edith... zijn vrouw... Erik De Smedt... zijn zoon... Ja: heden is van ons heengegaan... Erik De Smedt..." Ik: "'t Is goed, 't is in orde." Ook: "Je bent een goeie papa en een goeie opa geweest." Hij knikt dat hij het begrijpt. Dan: "Niet de heer André De Smedt. God staat boven de mens. De mens zegt: 'Ik ben heer en meester', maar God is nog meer, meer dan de mens. Hij staat erboven. Er zijn mensen die dat niet aanvaarden, maar het is zo." "Als Hij ziet dat ik in mijn leven God boven mezelf heb gesteld, zal Onze-Lieve-Heer mij vergeven."

"'t Is spijtig voor mama, spijtig voor u..., voor Tarri, voor Eva en Floris... spijtig dat ik moet gaan, maar God staat boven ons." Hij knikt in zichzelf, eenvoudig als een kind. Hij maakt een kruisteken en begint te bidden. Ik doe hetzelfde, bid een Onze Vader en een Weesgegroet. Dan laat ik hem alleen. Om zeven uur ga ik afscheid van hem nemen, hij knikt en heft zijn linkerhand op, als om me uit te wuiven. Beneden zeg ik tegen mama: "Hij is klaar om te sterven."

[...]

woensdag 26 oktober 2011

vrijdag 14 oktober 2011

'De orde van het andere'



'Wat men deze morgen reeds met zich meedroeg, hier in de kerk komt het tot een duidelike ervaring: het begrip van de dood als bittere uiteindelikheid, tegenover deze ervaring van het gelijkmatige licht geplaatst, beschikt niet meer over deze synthetiese kracht, die, in ons, vroeger vermocht de fenomenen naar dit meegebrachte begrip te ordenen. Het is geheel anders. Haast zichtbaar, stoot dit begrip van de dood aan de klaarte van de kerk, gelijk een kurk aan de waterspiegel stoot. Twee waarden staan abrupt naast elkaar: de dood en het licht en het gelukt ons niet, zoals vroeger, de fenomenen van dit begrip naar de orde van het andere te denken. Wel integendeel spoelt de vloed van het licht de kurk voortdurend naar het strand.

Plots staat men met het meegebrachte waardeoordeel des doods als met een verrekijker in de kamer.'








Tekst: Paul van Ostaijen, slot van 'De uitvaart', 1926.

Foto's: tentoonstelling Van de koele meren des doods. Beelden van de dood in de hedendaagse kunst, Sint-Bernardusabdij, Kloosterstraat 71, 2880 Bornem (t/m 4 december 2011). Van boven naar onder: Remco Roes, Everything in between (videowerk, 2010), Jan Van Oost, Mimesis (marmer, 2010), gang met werk van o.a. Xavier Tricot, Xandra Paijmans en Eleanor Crook, fragment uit Margriet Luyten, Dead Hand Dad (wandkleed, jacquard geweven, 2010), Xavier Tricot, Lijk (corpse) (olie op doek, 1996), Xandra Paijmans, Alfa en Omega. Lou lacht liever langer (glas, metaal en keramiek, 2011), glasraam en traphal in de abdij.

donderdag 6 oktober 2011

Flaneur in de supermarkt


Er bestaat een wereldberoemde foto van Andreas Gursky, 99 Cent (1999), tevens de duurste foto die ooit werd verkocht. Hij toont een panoramisch overzicht van rijen en rijen rekken in een supermarkt vol voedingswaren waarvan de prijs 99 cent bedraagt. De foto is zo overvol van consumptiegoederen dat het even duurt voor je opmerkt dat er zich tussen de rekken ook mensen bevinden.

‘Lange tijd ben ik niet graag naar supermarkten gegaan’, zo begint de Berlijnse auteur David Wagner zijn roman Vier Äpfel (Rowohlt), met een duidelijke knipoog naar Prousts À la recherche du temps perdu. De middag in een supermarkt die hij in 144 stukjes beschrijft is in zijn ogen dan ook uitzonderlijk begonnen. De vier appels die hij op de weegschaal heeft gelegd wegen exact 1000 gram. Dat lijkt de ik-figuur eerst een gunstig voorteken. Later zal hij bedenken dat het gewoon met de standaardisering in de fruitteelt te maken heeft.

De dubbelheid van verleidelijke schijn en ontluisterende werkelijkheid is een rode draad door het boek. De supermarkt met zijn overaanbod aan nuttige en overbodige producten – de veelheid van keuzes die je moet maken zou kopers van een paar generaties terug tot wanhoop drijven – geeft hem aanvankelijk het gevoel in een paradijs of Luilekkerland te vertoeven. Terwijl hij met zijn winkelwagentje langs de rekken flaneert, ontleedt hij scherpzinnig waar zijn oog allemaal op valt. Een pot honing uit Mexico bijvoorbeeld, met een etiket dat een Alpenhut toont: om ecologisch bewuste klanten de indruk te geven dat ze een streekproduct kopen, dat geen enorme, milieubelastende afstand heeft afgelegd?



Afdeling na afdeling trekt aan het geestesoog van de lezer voorbij, begeleid door verwonderde, scherpzinnige en soms sarcastische observaties. Intussen geeft de ik-figuur mondjesmaat iets van zijn eigen leven prijs, al lijkt de supermarkt de plaats bij uitstek van identiteitszwakte en vergetelheid. Hij herinnert zich taferelen uit zijn kinderjaren, toen er nog kleine kruidenierswinkels bestonden, je melk op de boerderij ging halen en wormstekige appels bij oma in de kelder lagen te verschrompelen. Maar dat verleden is geen idylle. De groentetuin lag vlak naast een kerncentrale en omdat hij de boerderij zo vies vond, goot hij op een dag melk uit tetrapakken in de kannen die zijn moeder hem had meegegeven. ‘Een paar keer deed ik dat zo, toen vond ook mijn moeder dat de koeienmelk van de boerderij nauwelijks verschilde van de melk uit de koeltoog. Kort erna bracht ze de melk uit de supermarkt zelf mee.’

De verstrooiing door waren, die Walter Benjamin al in de 19e eeuw onderkende, is begin 21e eeuw zo vanzelfsprekend dat niemand nog spreekt van een consumptiemaatschappij, hoewel die onze samenleving ten voeten uit tekent. De gevoelige waarnemer en winkelantropoloog die hier zijn rondjes maakt, laat er zich niet toe verleiden meer te kopen dan hij nodig heeft, en toch voelt hij de verleiding die op hem uitgaat van wat uitgestald is. Zijn reflecties gaan zelfs een paar keer in dagdromen en fantasieën over: een supermarkt waar je een geschikte partner kunt vinden, zwemmend in een groot aquarium als de kreeft die je in het chique restaurant kunt aanwijzen. Of de fascinatie door de tegenhanger van de flaneur, de passante: een ontmoeting bijvoorbeeld met een vrouw die net dezelfde producten in haar wagentje heeft liggen en dus wel je ideale partner ‘moet’ zijn.



Geremd in zijn handelingen, een opgedreven reflectievermogen: het maakt deze hedendaagse flaneur tot een onvervalst melancholicus, mijmerend over de mens die tot consument verschrompeld is, een programmeerbaar ding tussen de dingen, waarvoor het onderscheid tussen het natuurlijke en het kunstmatige uit de tijd is. Wat de ik-figuur werkelijk mist, is de vrouw die hem drie jaar geleden voor een ander in de steek heeft gelaten. L. heet ze, met een allegorisch algemeen initiaal (‘elle’). De herinneringen aan haar cirkelen rond koopgewoontes, haar opvattingen over producten, merken die ze kocht. ‘I shop therefore I am’, zoals de slogan luidt waarmee de kritische conceptkunstenaar Barbara Kruger het denkfundament van Descartes uitdagend bij de tijd bracht. Het romaneske essay van David Wagner dompelt je onder in het consumptiekapitalisme en herschept, onnadrukkelijk, de denkende consument.